Kenmerken

Hoofdtuk 5.1  Evolutionaire kenmerken – samenvatting

Eerder heb ik het gehad over het denkmodel van breinstapeling, de gelaagdheid van een drietal soorten hersenen. De menselijke neocortex, zeg maar het deklaagje, voegt rationeel denken toe aan het reptielen- en zoogdierengedrag. De moderne mens kan reflecteren, evalueren en anticiperen, hij kan er wat moois van maken. Dat gebeurt ook wel, maar zo nu en dan vliegt men elkaar in de haren. Alsof de onderste lagen (nog) niet volledig zijn afgedekt, komen zo nu en dan typische kenmerken van het zoogdierenbrein toch weer bovendrijven; dat is wat ik aanduid als ‘de evolutionaire stempel’. 
In dit hoofdstuk beschrijf ik een zestal primitieve gedragskenmerken van de onderste breinlagen. Het hadden er evenzogoed twee kunnen zijn, met de eerste, ongelijkheid en de laatste, het testosteron was ik al een heel eind gekomen. Ter verduidelijking heb ik er een viertal onderling samenhangende karaktereigenschappen tussengevoegd. Ik ga ze allemaal hieronder in het kort één voor één aanstippen.

– 1e kenmerk: Ongelijkheid
Voor het eerste kenmerk ‘ongelijkheid’, moeten we terug in de tijd. Na de Grote Knal, de vorming van ons heelal, nemen op aarde evolutionaire processen een aanvang. In het gevecht om het bestaan is alles geoorloofd, de evolutionaire strijd impliceert niet alleen ongelijkheid, maar veroorzaakt het ook. Als de mens op het toneel verschijnt en geschiedenis gaat schrijven, wordt in grotere samenlevingen en met name na de introductie van bezit, deze biologische ongelijkheid doorgetrokken naar een door mènsen gecreëerde sociale ongelijkheid. Hoewel samenwerking en solidariteit een samenleving verder brengt, ongelijkheid zit als het ware in de mens. 
Sociale ongelijkheid is het beste te omschrijven als de ongelijke verdeling van materiële- en immateriële zaken over personen en groepen. Dat moet breed worden opgevat, het betreft materiële zaken als bezit, eigendom, salaris, maar ook immateriële issues als opleiding, meningsuiting, machtsuitoefening, discriminatie. Bedenk er nog maar een paar. Ongelijkheid, de mens, de mensheid heeft er nog steeds moeilijk mee.

– 2e kenmerk: Planloosheid
Een treffende uitspraak van Stephen J. Gould (1) wil ik je niet onthouden: ‘Als je de film van de evolutie terugspoelt en opnieuw afdraait, zal de uitkomst telkens anders zijn.’ Het is een rake typering, de menselijke samenleving had net zo goed de richting van de vliesvleugelen op kunnen gaan, of zoals Descartes, het bedoelt, dat ‘ik’ op deze manier besta, is ‘toeval’.
Evolutie heeft weliswaar een doel, leven en overleven, maar (zoals we weten) er is geen blauwdruk.
Het tweede kenmerk is ‘planloosheid’. Het maken van plannen was voor de primitieve mens niet nodig, voedselvergaring en overleving waren intuïtieve aangelegenheden. Het evalueren en anticiperen was iets geheel nieuws, dat moest vanaf de mutatie van het geheugen nog geleerd worden.
Maar er is meer, planloosheid impliceert ook ‘normloosheid’. Denk maar even mee, als er geen plan is, kan een resultaat niet worden beoordeeld in normatieve termen als voldoende, goed of slecht. En wat ìs dan goed of slecht? De ‘evolutie’ zal daar geen antwoord op kunnen geven, de mens wel. Echter, een normatieve aanduiding hangt af van de smaak en opmaak van een door mensen opgetuigde en op dat moment heersende cultuur.
Het normatieve aspect van de planloosheid voert me heel even terug naar het vorige hoofdstuk. Religie, met het opleggen van leefregels, zorgde voor een algemeen bewustzijn aangaande Goed en Kwaad, voor het voortbestaan van samenlevingen een belangrijke rustfactor. Echter, de eeuwenlange christelijke indoctrinatie heeft het denken in een ietwat ongewenste richting geduwd. Ik melde het al, de evolutionaire werkelijkheid staat haaks op het scheppingsverhaal, de ongestructureerde strijd om het bestaan resulteert in voortdurende ‘probeersels’. Het kan niet altijd bingo zijn. Er gaat dan ook heel veel niet goed (althans in mensenogen). Soorten ontstaan, kunnen het niet bolwerken en sterven uit, van de dino tot de dodo. Griep, ontstekingen, virussen, et cetera noemen wij ‘ziektes’, in feite zijn het probeersels. Gelukkig is door rationeel anticiperen via de wetenschap de kwaliteit van samenlevingen met betrekking tot hygiëne dermate gevorderd, dat veel van deze ‘ziektes’ onder controle zijn. Maar ook weer niet, getuige de diverse vormen van kanker, het syndroom van Down, aangeboren hersenbeschadigingen, alzheimer, ALS, SARS, Ebola, COVID-19, de lijst is eindeloos en er komen steeds weer nieuwe aandoeningen bij.
Wat te denken van het ‘verschijnsel’ LHBT, lesbisch, homoseksueel, biseksueel en transgender? Is dit nu een te genezen ziekte of een ‘probeersel’ van planloze processen?
Gezien de alom in de samenleving aanwezige discriminatie, beledigingen, scheldpartijen en zelfs dreigementen, loopt het normatief kader bij velen niet in de pas met de evolutionaire werkelijkheid. Want het feit dàt LHBT -en al die andere ‘ongeneeslijke ziektes’- bestaan, zou juist een geruststelling moeten zijn, het is het bewijs dat evolutionaire processen nog steeds gaande zijn. Het leven is niet gestopt, het gaat door.

– 3e kenmerk: Kortetermijnvisie
Reflecteren, evalueren en vooral anticiperen veronderstelt het hebben van een idee of mening over de toekomst. Hoe zat dat ooit bij de primitieve mens? Ingeval van leven en overleven ligt de prioriteit bij de eerstvolgende maaltijd. Bij gebrek aan een koelkast of vriezer, had men een visie van hooguit enkele dagen. De eigenschap ‘lange termijnplanning’ hoefde in evolutionair opzicht in een ongestructureerde en planloze situatie niet te worden meegegeven, het was niet nodig. Het derde kenmerk is de ‘kortetermijnvisie’, het gaat hand in hand met de hierboven genoemde planloosheid.
Door de mutatie van het geheugen en de introductie van de landbouw verandert er wel wat. De korte termijn van enkele dagen moet worden opgerekt, het gaat nu om groeiseizoenen, het worden enkele maanden tot enkele jaren. Vanaf de Industriële Revolutie wordt het toekomstperspectief verder verschoven naar ongeveer dertig jaar, de economische levensduur van door mensen ontworpen infrastructurele werken. Zeg maar de duur van een hypotheek. Een langere termijnvisie heeft de mens met een relatief beperkte levensduur ook niet nodig.
Echter, de menselijke expansie loopt inmiddels tegen grenzen aan, het leefgebied komt in gevaar, de evolutionair meegegeven kortetermijnvisie gaat lelijk opbreken. Dat is goed te zien bij discussies over de klimaatproblematiek, alsof de neocortex het niet kan bevatten, gaat de kortetermijnvisie over in standje kortzichtigheid.
Een lezer dient te beseffen dat het begrip ‘visie’ niet uitsluitend betrekking heeft op vooruitkijken. Reflecteren, evalueren en anticiperen impliceert een complementair leerproces, er is een link met het verleden. Helaas heeft de neoliberale mens daar veelal geen boodschap aan. De focus ligt voornamelijk bij de waan van de dag, hooguit nog morgen. Gisteren al helemaal niet. Bepalende gebeurtenissen, zelfs uit een zeer recent verleden, kent men niet of worden af geserveerd als zijnde niet ter zake. Dat geldt sowieso voor de door mij genoemde essentiële momenten, de evolutieleer, de mutatie van het geheugen, de Landbouw Revolutie, religie, de Verlichting en de Industriële Revolutie. En er zijn nog wat dingetjes. Een grote vergissing, onze samenleving kan alleen maar begrepen worden aan de hand van eerdere gebeurtenissen. Dat is de sociogenese, de sociale erfelijkheidsleer. Helaas beperkt de evolutionaire kortetermijnvisie zo nu en dan het denkvermogen.

– 4e kenmerk: De mens als vluchtdier
In de natuur is het eten om gegeten te worden, in die cyclus zat ooit de primitieve mens gevangen. Om te overleven moest hij voortdurend bedacht zijn. Zonder klauwen, pantser, of schutkleuren is het bij dreiging zo snel mogelijk wegwezen, op de vlucht slaan dus. Het is in de strijd om het bestaan een essentiële eigenschap.
Echter, de moderne mens leeft niet meer in de natuur, hij loopt in de westerse wereld een vele malen groter risico verkeersslachtoffer te worden. Er is sowieso steeds minder fysiek geweld, cijfers wijzen dat uit. De afgelopen 75 jaar kon geweld weliswaar niet volledig worden uitgesloten, maar kon in vergelijking met een niet al te ver verleden tot een minimum worden teruggebracht. Wij worden inmiddels beschermd door wetten, het geweldsmonopolie ligt bij de overheid.
Het gevaar is niet meer fysiek, zeker niet in Nederland. Het gevaar manifesteert zich nu in de vorm van dreigend nieuws. Het zijn alarmerende boodschappen die ons doen ‘vluchten’;  onheilspellende berichten dat onze verworvenheden gevaar lopen door de islamisering en een tsunami van asielzoekers.
Een primitieve vluchtgedrag is nog volop in de ‘rationele’ mens aanwezig, maar op een andere manier. Het is niet meer de biologische vluchtrespons, maar de reflex die oproept tot reageren is nog wel aanwezig. Want bij gevaar moet er op zijn minst ìets gedaan worden. De mogelijkheid die open staat is het afgeven van een alarmsignaal, anderen waarschuwen, delen op Facebook en Twitter. Waarschuwen is in evolutionair opzicht voordeliger dan meteen maar vechten op leven en dood. Dieren doen dat ook. Ik kom er later bij de behandeling van gedragstheorieën op terug hoe dit zogenaamde categoriseren en associëren werkt.
Als eerste gedragskenmerk van de evolutionaire stempel noemde ik de ongelijkheid. De kenmerken daarna, planloosheid, normloosheid, kortetermijnvisie en het vluchtgedrag, zijn       in een samenspel onderling verbonden. De verworvenheden van het rationele brein, reflecteren en evalueren, worden zo nu en dan als het ware even vergeten, buitenwerking gesteld. Als niet gezocht wordt naar een oorzaak, als niet de vraag wordt gesteld waaròm, ligt een ‘vlucht’ in complottheorieën op de loer. Het is een terugkeer naar het animisme, het zien van verklaringen in dingen, personen die er rationeel geredeneerd niet zijn.
Daar komt bij dat negativiteit, door de algoritmes in de social media nog eens wordt versterkt. Slecht nieuws wordt minstens vijf keer vaker gedeeld dan conventioneel nieuws. Waarschijnlijk is het meer; tien keer? Met die publiciteitsfactor in het voordeel van de negativiteit moet de moderne mens wel sterk in zijn schoenen staan, op zijn minst een termijnvisie hebben. Kwestie van opleiding?

– 5e kenmerk: Angst voor vreemden
Volgens Dunbar’s Number (26) kan een mens met maximaal zo’n 150 anderen samenleven. Het 5e kenmerk is een ‘angst voor vreemden’. Dat kan overigens ook een angst voor ‘het vreemde’ zijn. Een nuancering van het begrip ‘angst’ is op zijn plaats. De mens is van nature nieuwsgierig, ook dat is evolutionair meegegeven. Uitproberen, ontdekken hoe het beste te overleven, het is een gecontroleerde nieuwsgierigheid, zoals een hond voorzichtig is met een slang. Gelukkig maar, een terughoudende nieuwsgierigheid is nodig om vooruit te kunnen.
De ‘angst voor vreemden’ zoals hier bedoeld heeft betrekking op onbekenden buiten Dunbar’s kringetje van 150. Het is dus een samenlevingsprobleem. Dit evolutionair meegegeven ‘maximum’ kon worden doorbroken door religie en het ‘sociaal contract’ van het klassieke liberalisme. Dat zal goed werken in een min of meer statische tijden met weinig verandering van de status quo. Wij leven inmiddels in een hectische globaliserende wereld, er komen veel vreemden op eenieders pad, mensen met een ander geloof, een andere huidskleur, een andere ideologie, een andere seksuele voorkeur. Tegelijkertijd verdwijnen eerdere zekerheden, de gulden, de kerk, de bowlingclub, de bakker op de hoek. De mens kan moeilijk overweg met al die snelle veranderingen, de neocortex is er niet op berekend.
En precies in die vijver vist het populisme. Hier wreekt zich de kortetermijnvisie. Of is het een gebrek aan opleiding?

– 6e kenmerk: Testosteron, de katalysator
De drang om te leven en te overleven wordt ingegeven door het geslachtshormoon, het ‘testosteron’. Reptielen hebben het, zoogdieren hebben het, mensen ook. Dit voornamelijk mannelijk hormoon manifesteert zich in de leeftijdscategorie tussen de 15 en 50 jaar, de evolutionaire stempel is hier zichtbaar aanwezig. Mannen in de productieve periode van hun leven hebben grotendeels onze samenleving gevormd. Zij bevaren de wereldzeeën, nemen risico, voeren strijd. Het is zoals Darwin het stelde, de slimsten, de sterksten kunnen zich beter aanpassen en zijn zo beter in staat hun genen door te geven aan volgende generaties. Uitstijgend boven het individuele haantjesgedrag, zijn dominante mannen goed in staat de eigen groep te beschermen.
De positieve uitwerkingen zijn talrijker en belangrijker, het droeg bij aan ons voortbestaan. Daarentegen wordt testosteron ook geassocieerd met machogedrag, agressiviteit en dominantie, de negatieve kant. Het kan dus ook fout gaan, het testosteron is zowel de algemene deler voor de nazipraktijken in WO II, het gedrag van de noord Afrikanen in Keulen op oudejaarsavond, de voetbalhooligans in Rome, de #MeToo daders als ook de wandaden van de Islamitische Staat. Alleen is het waarom, de motivatie, telkens anders. De oorzaak van goed of slecht gedrag hangt af van omgevingsfactoren, de betreffende woonwijk, opvoeding, opleiding, foute vrienden en ideologie. Hoe die beïnvloeding werkt zien we straks bij de behandeling van gedragstheorieën.
Het testosteron werkt gelukkig meestal goedschiks, soms ook kwaadschiks. In beide gevallen, afhankelijk van omgevingsfactoren fungeert het als katalysator. Deze versterkende werking geldt voor de in deze paragraaf genoemde evolutionaire kenmerken. In het algemeen kun je zeggen dat de kwaliteit van een samenleving is af te meten aan de mate waarin -met name- het testosterongedrag gekanaliseerd is.
=

Terug naar de inhoudsopgave

Terug naar De Evolutionaire Stempel