Preview H 4.1: De Samenlevende Mens

1

Uit hoofdstuk 4.1 ‘Samenlevingsfactoren’ het eerste subhoofdstuk:

Sociaal contract

Hoe gaat de mens zich gedragen ten opzichte van anderen die hij in het geheel niet kent? Of zelfs nog nooit heeft ontmoet? Of ten opzicht van anderen die een vreemd uiterlijk of andere huidskleur hebben? Welke mechanismen spelen daarbij een rol? 

We bekeken eerder enkele evolutionaire kenmerken: het principe van ongelijkheid, de doelloosheid, de kortetermijnvisie, het vluchtdier, de angst voor vreemden en de invloed van het testosteron. Hoe gaat het met deze eigenschappen indien geplaatst in een sociale context? Hier botst evolutie met een aangeleerd gedrag. Het is de discussie tussen ‘nature’, aangeboren en ‘nurture’, aangeleerd. Beide zijn op elkaar van invloed, overlappen elkaar, soms wel, soms niet. 

Om te kunnen samenleven, is het noodzakelijk dat iedere deelnemer iets van zijn vrijheid inlevert. Dat kan niet anders, een ieder moet zich gedragen, het gaat om het beheersen van ongewenste evolutionaire drang. 

De zinsnede ‘mijn vrijheid stopt waar die van jou begint’, verwijst naar Jean Jacques Rousseau (31). Mensen in samenlevingsvormen verbinden zich middels een ‘sociaal contract’. Dat zijn veelal ongeschreven regels, normen en waarden, maar ook geschreven wetten. De deelnemers voegen zich naar een ‘algemene wil’, hun bijdrage aan die specifieke gemeenschap. Dit geldt voor een voetbalvereniging, een stad, een kerk, maar ook voor een land. 

Dat maatschappelijk ‘contract’ wordt min of meer automatisch en vrijwillig overgebracht via voorbeeldgedrag, opvoeding en onderwijs. Indien niet toereikend of als excessen optreden, kan gedrag via wetten alsnog gereguleerd worden. Hoe complexer en hoe groter de samenleving, des te meer behoefte er zal zijn aan strikte en vastgelegde regelgeving. 

Een sociaal contract met anderen, veelal onbekenden, levert veel voordelen op. Zo is een arbeidsdeling mogelijk. Je hoeft niet zelf voor boer te spelen, verse groente haal je in de supermarkt. 

Afwijkend of deviant gedrag, lichte baldadigheid, denk aan vormen van kunst, worden meestal wel getolereerd. Maar niet altijd, er zijn grenzen en dat is afhankelijk van de betreffende samenleving. Wat in het vrije Nederland wel kan, is in Noord Korea ondenkbaar.

Een sociaal contract kan voor de psyche van een individuele deelnemer ook negatief uitwerken. Er zijn altijd mensen die moeite hebben met het inleveren van voorrechten, zaken niet goed in acht kunnen nemen en zichzelf niet kunnen beteugelen. Hier komt Sigmund Freud (32)in beeld, hij legt een direct verband tussen evolutie en samenleving. Freud beschouwde de mens in geest en lichaam als een geheel van energiestromen. De levensdrift, de drang tot zelfbehoud, noemde hij Eros. De seksuele drift noemde hij Libido. Naar mag worden aangenomen waren deze driften ten tijde van de jager-verzamelaar minder gestuurd en minder geremd. Hoe dan ook, in een georganiseerde en gestructureerde samenleving is beheersing noodzakelijk. Wil je deel blijven uitmaken van de groep, dan moet je je onthouden van geweld, diefstal, moord en ongebreidelde seks. Op het moment dat dergelijke biologische driften onder controle zijn en eigen worden gemaakt, je weet niet anders, dan zijn ze als gedragsnorm ‘geïnternaliseerd’.

Iemand die moeite heeft zich aan te passen, komt waarschijnlijk in de gevangenis. Of op de divan bij dr. Freud.