Preview H 5.2: Religie als voorwaarde

0

Hoofdstuk 5. ‘Religie’, subhoofdstuk 5.2 ‘Ontstaan van samenlevingen’, onderdeel ‘religie als voorwaarde’. Samenvatting.

Religie als voorwaarde

Religie, los van een godsbegrip, voorzag de prille samenleving van een systeem van sociale regelgeving. Van de Tien Geboden hebben er acht betrekking op sociale regels. Dat was ‘de’ beslissende voorwaarde voor het ontstaan en voortbestaan van samenlevingen.

Als de groep groter wordt, niet iedereen kent elkaar meer, is regelgeving noodzakelijk. Er was nog helemaal geen blauwdruk of pasklaar ‘organisatieconcept’ hoe een samenleving te structureren. Ontegenzeglijk heeft religie hier een beslissende rol gespeeld. Religie kan de continuïteit van een samenleving beter waarborgen dan een wispelturige en sterfelijke leider. Omdat het ‘geloof’ met ‘universele’ regels, normen en waarden ook buiten de directe kring werd aangehangen, konden ook onbekenden als geloofsgenoten vertrouwd worden. (Ook in mijn jeugd was dat nog zo, met het gezin op vakantie bij een gereformeerde broeder in Katwijk, dat was vertrouwd). In tempels en kerken kan permanente socialisering plaatsvinden. Omdat gedragsregels naast de instandhouding van de groep, ook gericht worden op goede werken en naastenliefde, ontstaat een gevoel van geborgenheid en is er minder angst om hulpbehoevend te worden. Dit draagt dan weer bij tot saamhorigheid, een wij-gevoel, noodzakelijk voor een stabiele samenleving. Kortom, religie draagt bij aan rust en orde en indien algemeen gedeeld, kunnen samenlevingen nu ook groter worden. 

Er dient een verschil te worden gemaakt tussen polytheïstische en monotheïstische godsdiensten. Dit heeft namelijk nogal wat gevolgen voor de inrichting van de samenleving. Ingeval van ‘poly’, meerdere goden dus, wordt de strijd tussen de goden onderling uitgevochten. Een gelovige maakt hier geen deel van uit, de strijd is elders, in ieder geval niet niet op aarde, een gelovige staat aan de zijlijn.

Bij de monotheïstische godsdiensten, dus met één enkele god, het jodendom, het christendom en de islam, ligt het anders. Het bijzondere is het geopolitieke kenmerk. Dat wil zeggen dat het gaat om een enkele god met een ‘uitverkoren’ volk op aarde. Dat laatste impliceert aanspraak op een wereldlijk grondgebied al dan niet als voorportaal voor een hiernamaals. Hier wordt een gelovige wèl bij de strijd betrokken. In eerste instantie bij de verdediging en soms ook bij de uitbreiding van het wereldse koninkrijk of kalifaat. 

Je kunt zeggen dat samenlevingen met een monotheïstische religie door die wereldlijke aanspraken veelal krachtiger, machtiger en standvastiger zijn. Gelovigen zijn eerder bereid de strijd aan te gaan.

 

Terug naar Uittreksel

 

 

 

%d bloggers liken dit: