6. Neoliberalisme

0

6. Neoliberalisme

Na de val van de Berlijnse Muur in 1989 maakt (nagenoeg) de hele wereld deel uit van een ‘neoliberale’ context. Dat resulteert in voorspoed, vooral in west Europa en noord Amerika. Maar ten koste van wat?

6.1 Ideologie en kenmerken


– Einde solidariteitsgedachte
Rond de jaren tachtig van de vorige eeuw is het gedaan met de zuilensamenleving. Ook de verzorgingsstaat nadert haar voltooiing. De maatschappelijk zwakkeren hebben hun vangnetjes, de werklozen een uitkering en zoals Den Uyl beloofde, (bijna) iedereen een eigen huis en auto. De ouderen hebben hun AOW en dat is een hele zorg minder. De Berlijnse muur is gevallen, de koude oorlog is ten einde, het rode gevaar is geneutraliseerd. Welhaast ongemerkt verandert het economisch inzicht. 

In 1957 verscheen de roman ‘Atlas Shrugged‘ van Ayn Rand (66). Dit boek heeft in de Verenigde Staten een grote impact, het was na de Bijbel het meest gelezen boek. Het beschrijft hoe in Amerika een linkse overheid op sluwe wijze goedwillende ondernemers dwars zit. Het boek verschijnt op het hoogtepunt van de koude oorlog en alleen al de gedachte dat er in de Verenigde Staten een communistisch bewind zou zijn, doen de lezers gruwelen. Geheel in Hollywood stijl loopt het goed af, de ondernemers nemen het heft in eigen hand. De moraal van het verhaal is evident, zonder het juk van een overheid gaat het uiteraard beter, ondernemerslust moet je niet beperken, vooral rechtse politici worden door het epos geïnspireerd. 

Het zaadje is geplant, de tijd is rijp, de nieuwe economische inzichten van Friedrich Hayek (67) worden populair. In plaats van een sturende overheid, is Hayek gekant tegen elke vorm van overheidsingrijpen. Zijn credo is ‘marktwerking’. Daar wordt de reële prijs betaald en naar vermogen krijgt elk individu wat hem toekomt. Niet verwonderlijk, Hayek wordt geciteerd op de website van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD (dat kan inmiddels veranderd zijn). 

Naast Hayek, komt als grondlegger van het monetarisme ook Milton Friedman (68) in beeld. Deze economisch adviseur van de Republikeinse president Ronald Reagan heeft als politieke filosofie dat inflatie en werkloosheid gereguleerd kunnen worden via monetaire ingrepen. Dus geen sturing door middel van infrastructurele werken zoals in de dertiger jaren, maar door het laten fluctueren van de rentevoet.

Uit het gedachtegoed van Hayek en Friedman zijn de twee belangrijkste grondbeginselen van de neoliberale gedachte te herleiden:

1. een terugtredende overheid;
2. stimulering marktwerking met een vrije rol voor het geld. 

In 1989 presenteren drie in Washington gevestigde instellingen, het IMF (International Monetary Funds) de Wereldbank en het Amerikaanse Ministerie van Financiën aanbevelingen, neergelegd in de ‘Washington Consensus’ (69). De essentie is het terugdraaien van overheidsinvloed ten gunste van het vrije marktprincipe. De trend is gezet, het ‘neoliberalisme’ wordt de norm, ondanks tegenbewegingen en waarschuwingen. 

Daar waar ‘Atlas Shrugged’ voer is voor neoliberalen, wordt de waanzin waartoe een dergelijk vrij kapitalisme kan leiden treffend en op humoristische wijze beschreven in een andere bestseller: Catch 22 (70). Het boek verscheen in 1961. In een oorlogspersiflage en met een knipoog naar het militair industrieel complex, laat Joseph Heller zien dat ongebreideld doorgaan in een vrije economie tot zelfdestructie zal leiden. Een overijverige foerageur wil de manschappen het beste van het beste voorzetten. Hij begint een handeltje met de vijand. Dat ontaardt op vreselijke wijze, in ruil voor de ultieme handelsdeal wordt de eigen luchtmachtbasis gebombardeerd. Ook ‘Catch 22’ was een bestseller, maar had minder invloed dan ‘Atlas Shrugged’.

– Eerste kenmerk: terugtredende overheid
In het ‘oude’ liberalisme gaat het nog om een terughoudende overheid, het neoliberalisme gaat een stapje verder, men wil naar een terugtredende overheid. Taken dienen te worden afgestoten, de onderliggende gedachte is dat bedrijven veel efficiënter kunnen opereren. Als een soort van protest tegen de betutteling door de verzorgingsstaat, weigert de Engelse premier Margaret Thatcher in 1984 onrendabele kolenmijnen op staatskosten open te houden. Dat is het breekijzer voor het verder minimaliseren van overheidsinvloed. Thatcher in het Verenigd Koninkrijk en Ronald Reagan in de Verenigde Staten, destijds de wereldleiders, hebben de daad bij het woord gevoegd, de rol van de overheid wordt teruggedrongen. De rest van de wereld volgt. Cruciale nutsdiensten worden geprivatiseerd, de water- en energievoorziening, de postbezorging, de telefonie, het openbaar vervoer, de gezondheidszorg en last but not least ook het bankwezen. 

Het moet gezegd, deze transitie kon met instemming van het electoraat plaatsvinden. Begrijpelijk, een te grote overheid met een verstikkende regeldruk werd voor het gevoel van een simpele belastingbetaler te kostbaar. En waarom sowieso bijdragen aan inefficiëntie? Het vooruitzicht was aantrekkelijk, de eigen portemonnee is in het geding, de belastingen kunnen omlaag. Zonder al te veel weerstand, ook niet van de linkse partijen, werden overheidstaken geprivatiseerd.

– Tweede kenmerk: marktwerking en geld
Het tweede kenmerk van het neoliberalisme is de focus op de marktwerking. In de ‘markt’ kan in principe alles worden verhandeld en uiterst handig in geld worden uitgedrukt. Elke koper zal naar vermogen de juiste prijs betalen, ervan uitgaande dat elke deelnemer ‘van nature’ zijn eigen belang zal zeker stellen. De cursieve nadruk op ‘van nature’ is mijnerzijds. Het is een stiekeme verwijzing naar de evolutionaire ‘struggle’, terug naar het ieder voor zich. 

In de markt hebben met name bedrijven een voortrekkersrol, zij creëren banen en bijgevolg besteedbaar inkomen. Bovendien zorgen zij ook voor vernieuwing. In een dergelijke set up zou niet of nauwelijks hoeven te worden bijgestuurd door de overheid. 

Mocht het onverhoeds toch misgaan, dan kan worden ingegrepen via monetaire maatregelen. In ieder geval niet door verdere betutteling, maar door te sleutelen aan de hoeveelheid ‘geld’ en de rentevoet. Als er heel veel geld rondgaat, dan spreken we van een hoogconjunctuur, consumenten gaan meer besteden, de productie van alles en nog wat gaat omhoog. Als er te weinig geld is, zal de koopkracht achterblijven, de productie zakt in, werkloosheid ontstaat, het wordt een recessie. 

De overheid of de centrale bank kan een recessie ook aanpakken door al dan niet tegelijkertijd de rentetarieven te wijzigen. Een hoge rente zal de groei stoppen, een lage rente zal stimulerend werken, investeringen zullen toenemen.

Een terugtredende overheid en een vrije markt hebben een welvaartssprong teweeggebracht. Maar er zijn ook neveneffecten, sommige positief, sommige negatief.

6.2 Vooruitgang ten koste van wat?


– Globalisering
Globalisering of mondialisering is het proces van wereldwijde economische integratie. Door technische ontwikkelingen op het gebied van vervoer, telecommunicatie en digitalisering zijn ‘markten’ niet meer lokaal, maar wereldwijd. Niet beperkt door grenzen en regelgeving, kunnen bedrijven produceren op plekken waar de kosten inclusief vervoer het laagst zijn. Het gaat dan voornamelijk om arbeidskosten. Arbeid in tegenstelling tot geld en goederen, zijn plaatsgebonden, de globalisering kent geen sociale integratie. 

Dat bedrijven voortdurend op zoek zijn naar de laagste kosten is geen onbekend fenomeen, zeker niet in Nederland. De textiel- en schoenindustrie verdween eerst naar zuid Europa, later naar Azië, daar kon het nog goedkoper en onze garnalen worden in Marokko gepeld. In de 80’er jaren van de vorige eeuw waren de Nederlanders de vrachtrijders van Europa, dat zijn nu de goedkope oost Europeanen. 

Globalisering houdt in dat de vervaardiging van onderdelen in diverse landen kan plaatsvinden, de assemblage en de verkoop in weer andere landen. Gevolg is dat de wereldhandel voor de helft bestaat uit ‘interne’ handel binnen en tussen bedrijven. Globalisering droeg bij aan een enorme materiële welvaartssprong. De burger kan inmiddels beschikken over een enorme range aan versproducten uit zuid Amerika en Australië. 

In het verleden werd ‘afgesproken’ de mondiale handel te bevorderen en niet te hinderen door heffingen als BTW en accijnzen. Internationaal vervoer en met name vliegtickets zijn om die reden (nog) relatief goedkoop. Neveneffect was dat op wereldschaal opererende bedrijven ruim baan kregen, zij konden ver boven het belang van nationale overheden uitgroeien.

– Zelfregulering
Privatisering betekende meer dan uitsluitend een overheveling van productie en diensten naar het bedrijfsleven, ook de controlerende en corrigerende taken gingen mee. Om marktfalen te voorkomen, dienden de sectoren zelf ethische regels op te stellen, kwaliteitseisen in te voeren, daarop toe te zien en in voorkomende gevallen geschillen te beslechten. Op zich geen raar idee, in de bedrijven is alle kennis aanwezig en het scheelt dure bureaucratie. Maar het betekent wel de overdracht van soevereiniteit aan de sectoren, waarbij de burger wordt afgesneden van controle, zelfregulering staat daarmee haaks op democratische beginselen. 

Ingeval van geschillen moeten de rechten ìn de sector zelf worden afgedwongen. Maar dan wel volgens de regels van diezelfde sector, bij de slager die zijn eigen vlees keurt. Bovendien, in een systeem van zelfregulering genieten bedrijven een mate van vrijheid, want deelname is niet altijd verplicht. Tv-programma’s als Radar vinden op dit gebied hun bestaansrecht. Enkele voorbeelden van niet goed werkende zelfregulering uit Wikipedia wil ik je niet onthouden:

  • In de telemarketingbranche functioneerde het bel-me-niet-register onvoldoende, uiteindelijk kwam er alsnog een wettelijk voorgeschreven register.
  • De makelaardij kon met de certificeringsregelingen niet voorkomen dat kwaadwilligen en onkundigen als makelaar optraden.
  • De voedingsindustrie draagt zelf onvoldoende bij aan gezonder voedsel en een betere controle. 
  • De zorg ontwikkelt onvoldoende kwaliteitsnormen.
  • De zelfregulering bij de kinderopvang en kinderdagverblijven heeft kindermisbruik niet kunnen voorkomen.
  • In de bancaire sector kon de governancecode niet bijdragen aan een gematigd beloningsbeleid.

In het kader van de ‘wettelijk geconditioneerde zelfregulering’ behoudt de overheid wel een rol bij het toezicht en de handhaving, maar dat is in laatste instantie en dus altijd achteraf. Dat zijn een 20+ door de overheid aangestelde onpartijdige instituties die toezien op de naleving in de diverse sectoren. Probleem is dat voortdurend op het budget van toezichthouders wordt beknibbeld ‘het kan efficiënter’. En als er dan iets fout gaat, wordt de blik weer gericht op de overheid en die roept dan weer dat ‘keihard’ wordt ingegrepen. Dat kennen we wel, de financieel uitgeklede NVWA krijgt bij problemen de zwartepiet toegeschoven. 

Waartoe zelfregulering kan leiden, is goed te zien in de nasleep van de aardgaswinning in Groningen. De sector, de NAM, bepaalde of er sowieso sprake was van aardbevingsschade en in het vervolg daarvan stelde ook de NAM de hoogte van de vergoeding vast. Pas na een hoop gesteggel via civiele rechtbanken en de hoogste rechter kon de burger zijn gelijk halen.

Zelfregulering blijkt met name in een globale context moeizaam tot stand te komen. In de IT-sector is dat goed te zien, behalve het feit dat er geen of nauwelijks belasting wordt betaald, kunnen Facebook, Uber en Airbnb lokale regelgeving naast zich neerleggen. In de handelsverdragen tussen de EU met de USA en Canada, TTIP en CETA, is opgenomen om geschillen door ‘arbitrage binnen de sector’ te beslechten. Dus niet door een rechter, niet door een democratische controle. Het is nog maar een klein stapje naar een volledig geprivatiseerde overheid, te beginnen met de ministersposten. Nadere bezinning over zelfregulering lijkt me wel noodzakelijk.

– Geldschepping
Van oorsprong is geld een schuldbekentenis, gebaseerd op het vertrouwen dat de tegenwaarde is gegarandeerd door een gelijke voorraad edele metalen. Dat was lange tijd de zogeheten Goudstandaard. Deze garantie werd stukje bij beetje losgelaten in de dertiger jaren van de vorige eeuw. Nadat de grootste economie, de VS in 1973 eenzijdig de inwisselbaarheid van dollars voor goud staakten, lag de tegenwaarde niet meer in Fort Knox. Dat was de ommekeer, de geldpers kon worden aangezet. De nu weer vrije rol van de banken zet de sluizen naar avontuur weer open. 

Op de beurzen gaat het sindsdien al lang niet meer om kapitaalverschaffing voor investeringen, maar zijn het overnames en jagen geldschieters op snelle winsten. Ook in Nederland worden door de banken ongrijpbare ‘producten’ in de markt gezet: woekerpolissen en renteswaps; als het maar geld oplevert. In 1999 wordt in de Verenigde Staten in overeenstemming met de bestaande praktijk de Glass-Steagall Act weer buiten werking gesteld. Dat was de wet die in 1933 de gevolgen van de crisis had beteugeld door bij banken de nutsfunctie van speculatie te scheiden. 

En net als in 1929 knapt wederom de ballon. Directe aanleiding is een stagnerende huizenmarkt in de Verenigde Staten waardoor hypotheek-pakketjes aan waarde verliezen. De onderpanden bleken minder waard, banken leenden elkaar geen geld meer. In september 2008 ging Lehman Brothers failliet, een van de grootste zakenbanken ter wereld. De door de banken aangehouden zekerheden, zo rond de 5 procent, bleken verre van toereikend om ook maar iets van een klap op te vangen. Intussen waren in een globaliserende wereld de banken ‘too big to fail’, overheden werden gedwongen op grote schaal met belastinggeld bij te springen en deel te nemen in risicodragend kapitaal. Ook in Nederland werden banken genationaliseerd. Notabene door een sociaaldemocratische minister! 

De gevolgen waren ernstig, maar het leidde niet tot een volledige instorting zoals in 1929. Dankzij de verzorgingsstaat kon de koopkracht grotendeels worden behouden, de burgers in west Europa bleven rond of net iets onder de nullijn hangen, vooral Nederland kwam met de schrik vrij. 

Wat gebeurde er nu precies? Vanaf de negentiger jaren neemt het ‘girale’ geld een grote vlucht. Het is niet meer uitsluitend de democratisch gecontroleerde staat die geld kan drukken en uitgeven, elke nutsbank kan nu zelf geld ‘creëren’, ook jouw bank. Het werkt ongeveer als volgt. Op een lopende rekening, zeg jouw spaarrekening, staat 1000 euro, die heb je daadwerkelijk aan het loket in contanten afgegeven. Omdat er altijd wel een bedrag op die rekening blijft staan, zeker op spaarrekeningen, hoeft de bank niet meer het volledige ingelegde bedrag van alle spaarders in harde contanten, in chartaal geld, aan te houden. Niet iedereen neemt gelijktijdig al zijn geld op, gelukkig maar. Echter, de buffer ligt wel heel erg laag, ongeveer 5 procent van alle vorderingen wordt daadwerkelijk gedekt. Van jouw 1000 euro ligt nog maar 50 euro in de kluis. Intussen kan de bank met die 950 euro leuke dingen doen. En dat doen ze. In de negentiger jaren maakt de creditcard het ook nog eens mogelijk om aantrekkelijk en massaal op krediet te leven en daar komen de hypothecaire leningen nog eens bij.

In de nasleep van de kredietcrisis van 2008 ontstond rond Griekenland opnieuw een ernstige eurocrisis. Het scenario was niet veel anders. De Grieken konden de door de banken afgegeven kredieten niet meer terugbetalen, de schulden werden een speelbal voor speculatieve transacties. Volgens velen was dit het bewijs dat de euro door de keel was geduwd. Maar je kunt ook zeggen dat de schulden juist konden ontstaan door onvoldoende internationale regelgeving en toezicht om dit te voorkomen. Weer moest worden ingegrepen, ditmaal door de Eurolanden. En wederom met hulp van de belastingbetaler werden private banken gered. De Grieken bleven met onwezenlijke schulden zitten. Ironisch genoeg niet meer bij de commerciële instellingen, die werden afbetaald en gered, de schulden lopen nu bij de EU-medeburgers. 

De zeggenschap over ‘ons’ geld komt steeds meer buiten het bereik van de democratisch controleerbare overheid te liggen. Inmiddels acteren de ECB, de Europese Centrale Bank en veel nationale centrale banken min of meer zelfstandig en staan niet meer onder een parlementaire controle, de kiezer staat zo goed als buitenspel. 

Het is een gegeven, geld zoekt voortdurend naar het beste rendement. Digitalisering over landsgrenzen heen en het gebrek aan regelgeving tillen speculatie naar een hoger plan. Op kundige, dan wel slinkse wijze worden zogenaamde tax havens opgezocht. De schattingen omtrent belastingontwijking en misschien wel belastingontduiking van zowel gerenommeerde bedrijven als van rijke medeburgers lopen dermate uiteen dat het vrijwel onmogelijk is daarover uitspraken te doen. Maar toch, kijk op Google, wereldwijd het zou het gaan om circa 600 miljard euro per jaar. 

Apple, zo’n beetje het rijkste bedrijf ter wereld, betaalt een schijntje aan belasting. Per miljoen euro winst, wordt slechts 50 euro afgedragen. Dit is honderd keer niets, één procent belasting zou al 10.000 euro zijn (NRC Wouter van de Noord 10 nov 2017). 

Voor wat het waard is, ook ergens van internet opgevist: per dag gaat er ongeveer 50.000 miljard euro aan geldtransacties de wereld rond. Beangstigend is dat daarvan zo’n 95 procent speculatief geld is. Dus geen ‘normale’ pinbetalingen aan de bakker op de hoek of het overmaken van salarissen. Al zou het de helft zijn, we zitten midden in een casino-economie. En als het fout gaat is onder aan de lijn de belastingbetaler de dupe. 

Ingeval van inflatie, recessie of stagnatie, komen de monetaristen van Friedman in beeld. Geldmaatregelen zijn dan het medicijn voor allerlei economische problemen. Het lijkt inmiddels een trend de geldmarkt te verruimen door het massaal opkopen van staatsobligaties en schuldpapier. Dit vrijgekomen geld komt deels weer op de beurzen terecht, een volgende mismatch kan ontstaan. Op Wall Street is de beurswaarde van bedrijven in 2017 al 3,2 keer hoger dan de feitelijke balanswaarde. Voor Europa is die ‘onbalans’ ongeveer de factor 1,8. Overwaardering is niets anders dan een te verwachten maar nog niet gerealiseerde meerwaarde in de toekomst. Het speculatieballonnetje wordt weer opgeblazen. Je hoort het vaak genoeg uit de mond van experts, het is niet de vraag óf, maar wanneer die knapt. 

– Arbeid en ongelijkheid
De factor arbeid komt in het neoliberale krachtenspel nogal eens in de knel, ik heb het er al over gehad, arbeid is het expansievat van de economie. Gemakkelijk te begrijpen, geld moet eerst via ‘arbeid’ verdiend worden om via de loonzakjes als koopkracht te kunnen worden uitgegeven. De partijen die het loon uitonderhandelen in de Cao’s (Collectieve Arbeidsovereenkomsten), zijn de werkgevers- en werknemersorganisaties, een neoliberale overheid zal hier zoveel mogelijk buiten blijven. Een Cao wordt afgesloten over arbeidscontracten in vaste dienst, intussen zit de neoliberale mens anders in elkaar, de verschuiving van ‘solidariteit’ naar het ‘ieder voor zich’, leidt tot een afnemende organisatiegraad, werkenden organiseren zich minder vaak in vakbonden. Tussen 1999 en 2016 daalde het aantal vakbondsleden met 10 procent. Het is tekenend, inmiddels zetten bedrijven met een lage organisatiegraad de vakbond buiten de deur. In plaats van samen sterk te staan, gaan individuele flexwerkers en ZZP’ers nu zelf de ‘arbeidsmarkt’ op om zich aan de hoogstbiedende te verkopen. Of is het aan de laagst biedende? Flexwerkers en ZZP’ers betekenen voor de bedrijven een welkome verlaging van arbeidskosten met het bijkomende voordeel dat een werknemer ingeval van krimp direct kan afvloeien. 

Vaak wordt pensioenopbouw ingewisseld voor werk. Als de flexwerker of ZZP’er niet zelf voor een vangnetje heeft gezorgd, zijn de kosten uiteindelijk toch weer voor de samenleving, niet voor de bedrijven. Arbeid wordt aldus echt het expansievat van de economie. 

We kunnen er niet om heen, de studie van Thomas Piketty (71) ‘Le Capital au XXIe Siecle’, gaat over inkomensongelijkheid. De kracht van Piketty ligt in het bijeenbrengen van cijfers en feiten door de geschiedenis heen. Conclusie: over een lange periode groeit het inkomen uit bezit en vermogen met gemiddeld 5 à 6 procent per jaar; daarentegen kent inkomen uit arbeid een groei van hooguit 2 procent. Deze onbalans komt door een lage belastingheffing op inkomen uit vermogen en een hoge afroming op inkomen uit arbeid. Kortom, de rijken worden rijker en de kloof alsmaar groter. In Nederland (2017) geldt voor de rijken een vermogensbelasting van 1,5 procent over een ‘vermeend’ rendement van 4 procent. Daarentegen kan de belasting op arbeid oplopen tot 52 procent. Wij denken door hardwerken rijk te worden, helaas. 

Volgens cijfers van het CBS is het Bruto Binnenlands Product in de periode 2000 tot 2016 met ongeveer 12 procent gegroeid. Het BBP is de marktwaarde van alle goederen en diensten die in die periode in Nederland werden voortgebracht. Geweldig, ondanks de crisis van 2008. Echter, in dezelfde periode daalde het besteedbaar inkomen van de ‘gemiddelde’ Nederlander met circa 3 procent. Ik weet niet of dat goed te vergelijken is, maar dit duidt op een behoorlijke onbalans, de stijging van het BBP kwam in ieder geval niet ten goede van de ‘gemiddelde’ burger. 

– Migratie
Migreren hoort bij de mens, het bepaalt de geschiedenis. Eerder had ik het over het Genographic Project (18). De wieg van de mensheid stond zo’n 80.000 jaar geleden ergens in oost Afrika. De primitieve mens ging net als vogels en roofdieren achter zijn voedsel aan en na de Agrarische Revolutie heeft de mens ongeacht natuurlijke omstandigheden zich over de aardbol kunnen verspreiden. Want als elders de overlevingskansen beter zijn, dan gaan we daarnaartoe. Migreren is de mens eigen, ook in een globaliserende wereld.

Het is wel zaak de verschillende verschijningsvormen van migratie te onderscheden. Zo wordt de ‘ongewenste migratie’ uit het Midden-Oosten in het tweede decennium van deze eeuw een heikel issue. We zullen het ooit moeten toegeven, de diepere oorzaak daarvan is de in de koloniale periode door het ‘westen’ gecreëerde situatie. De eenzijdige stroom grondstoffen naar het westen blijft nog altijd intact. De verder afroming van rijkdom door vazal regimes leidt tot een blijvende onderdrukking, tot conflicten, tot geweld. Het achterblijven van investeringen in het onderwijs en een democratisch besef, gaat opbreken. Dat is de werkelijke oorzaak, het is eerder de ‘push’ factor, aardbewoners op zoek naar veiligheid en werk en niet zozeer de ‘pull’ factor van onze rijkdom.

Wereldwijd zijn er circa 12 miljoen vluchtelingen en zo’n 25 miljoen ontheemden op de vlucht. Nu nog voor armoede en geweld, straks ook voor de gevolgen van klimaatverandering.

In de debattenreeks van het strategieberaad van de WRR, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (72) (verwijzing door mij in de laatste herziening van dit boek alsnog opgenomen) geven enkele auteurs hun visie op migratie. De teneur is dat migratie gelinkt is aan arbeid. Voor Nederland is dat overduidelijk. Migratie en integratie waren vanouds noodzakelijke mechanismen voor de continuïteit van de arbeidsmarkt. Dat perspectief is de laatste decennia door het zogenaamde ‘gastarbeiderstrauma’ en islamfobie met de vrees voor aanslagen volledig weggedrukt. De komst van rechts-radicale partijen heeft deze cultuurpessimistische wending versterkt. Het is hoog tijd voor een herbezinning, maar dan alsjeblieft wel op grond van reële cijfers en niet door beeldvorming.

– De neoliberale eendimensionale massamens
Nieuwe tijden eisen nieuwe gedragsnormen. Na de val van de Berlijnse Muur en de aanvang van het neoliberale tijdperk is er een overgang van solidariteit naar individualisme. Ook te omschrijven als de overgang van de ‘klassiek liberale’ mens naar de ‘neoliberale mens.’ Weten we het nog? In het oorspronkelijke klassieke liberalisme was het adagium:‘mijn vrijheid stopt waar die van jou begint.’ Iedereen wist zo ongeveer wel waar zijn eigen vrijheidsgrens lag, want er diende vooraf rekening te worden gehouden met een ander, het zijn de typische eigenschappen van de zuilensamenleving en de sociaaldemocratie. Maar dat verandert in een tijdsbestek van pakweg 20 jaar, van rekening houden met de ander naar het harde marktprincipe. Want in die neoliberale ‘markt’ streeft eenieder ‘van nature’ zijn eigen belang na, waarbij iedereen zijn of haar rechtmatige deel zal verkrijgen. Uiteindelijk zal dat tot een betere situatie leiden. Echter, dit is geen plek voor zwakkelingen of voor mensen die om wat voor reden dan ook niet kunnen meekomen.

Hoe dan ook, de kenmerken van de markt komen sterk terug in de gedragsnormen van de nieuwe mens. In de strijd voor een betere positie wordt de grens verschoven naar: ’de ander moet maar aangeven tot hoe ver ik kan gaan’. 

Ik zie het dagelijks. Op straat, in het verkeer, het is nu eenieder voor zich en liefst ik eerst, geen rekening houden met de ander. Een dergelijke insteek neigt naar een terugkeer van de evolutionaire strijd om het bestaan. En het wordt nog gemakkelijk gemaakt ook, want door een toenemende materiële welvaart is de ander is niet meer echt nodig, door de AOW kunnen kinderen uitwaaieren, de onderlinge afhankelijkheid neemt af. Bijgevolg doen ook fatsoensnormen minder ter zake, en door de rijkdom kan men het zich permitteren. Komt nog bij dat dat door de voortdurende bezuinigen op toezichthouders de controle op alles en nog wat miniem is. We weten toch waar de flitspalen staan? 

De samenleving verandert. Maar kan iedereen het nog wel volgen? In 2000 verscheen ‘Liquid Modernity’ van Zygmunt Bauman (73). Eerdere zekerheden, de kerk, het huwelijk, de vakbonden en zelfs de natiestaat vallen weg. In het moderne leven worden vastigheden vloeibaar, één derde van de huwelijken loopt stuk, de vaste baan wordt flexwerk, de ZZP’er doet zijn intrede. De volgzame burger is niet meer, dat is nu de ongebonden consument. Het wordt een probleem als diezelfde burger het tempo van veranderingen niet kan bijhouden en de voordelen niet kan zien. Bauman wijst op het verlies van gemeenschapsgevoel in een toenemende individuele wereld. In 2014 schreef hij ‘Does the Richness of the Few Benefit Us All?’. Het is een pessimistisch boek, de wereld betaalt een hoge prijs voor de neoliberale revolutie, rijkdom bereikt niet de massa van de samenleving.

Ortega y Gasset (42) typeerde deze nieuwe ‘massamens’ of ‘hordemens’ zo’n vijftig jaar geleden aan de hand van de omwenteling in Spanje. De oude aristocratie was zich zeer wel bewust van het verleden en de verantwoordelijkheid van hun positie. De nieuwe ‘massamens’ daarentegen typeert zich door een gebrek aan kennis, maat en zelfbeheersing. Rechten worden opgeëist zonder dat daar een besef van verantwoordelijkheid tegenover staat. Deze omschrijving is verrassend goed van toepassing op de moderne massamens van de 21e eeuw. In de sociale media voeren roepgroepen de boventoon, intellectuele inspanning legt het af tegen eenvoudig vermaak. Het ‘ik leef nu’ staat los van een besef dat niet hoeft te worden gezorgd voor ouders en grootouders die als erfenis van de inmiddels verfoeide sociaaldemocratie onder een sociale regeling vallen. Een dergelijke ‘ontkenning’ van de geschiedenis, (3e kenmerk van de evolutionaire stempel, de kortetermijnvisie), leidt onherroepelijk tot een fragmentarische blik. Er wordt niet meer gezien waaraan verworvenheden te danken zijn, de huidige rijkdom is vanzelfsprekend, verder niet zeuren. Wetenschap, elke vorm van kennis of argumentatie is te ingewikkeld, ontkenning van bijvoorbeeld de holocaust of klimaat is handig, het voorkomt dat je verantwoordelijk bent. De massamens is als stereotype te omschrijven als een verwend kind, uitsluitend geïnteresseerd in de eigen genietingen en wensen die zo mogelijk real time verwezenlijkt moeten worden. 

Een vooruitziende blik had ook de Duitse filosoof Herbert Marcuse (74), die al in 1964 vaststelde dat de westerse economie eenzijdig is gericht op consumeren. Maar er is meer dan dat. Bedrijven produceren goederen, tegelijkertijd bepalen zij daarmee ook de behoefte. Dit doen zij via reclame, aanprijzing, het propageren van een ‘mode’, het opwekken van hypes. De consument bepaalt dus niet zelf wat hij mooi vindt of wat hij wil hebben, dat weet hij (nog) niet, hij kan slechts een keuze maken uit aangekweekte behoeftes. 

De gedachtegang ligt dicht tegen die van Karl Marx aan, de welvaart veroorzaakt aldus een ontmenselijking en dat resulteert uiteindelijk in een eendimensionale mens, die zichzelf nog enkel herkent in bezit. De ziel, de focus ligt niet meer bij de solidariteit naar anderen, maar bij de auto, de stereo-installatie, de superkeuken, het feestje en de volgende vakantie.

Protest ontstaat als de materialistische ziel en zaligheid wordt ‘bedreigd’ door, asielzoekers, de EU, de euro, de islam, het cultuur-marxisme, verzin maar een zondebok.

Op dit punt komen de typeringen van Gasset en Marcuse samen in de ‘neoliberale eendimensionale massamens’.

=

De strekking van dit hoofdstuk:
We zijn aangeland in het huidige neoliberalisme. Maar wat is dat? De twee belangrijkste kenmerken zijn een terugtredende overheid en de nadruk op het marktmechanisme met daarbij een vrije rol van het geld.
Dat heeft nogal wat gevolgen: verdergaande globalisering, zelfregulering, geldschepping, arbeid/ongelijkheid en migratie. Het neoliberalisme leidt tot de ‘eendimensionale massamens’.

De eerste reactie moet ik goedkeuren, dat kan dus even duren, maximaal een halve dag.
Daarna zal het systeem jouw e-mailadres verder herkennen.

 

 

 

Reacties zijn gesloten.