Preview H 6.2: Ongelijkheid, onze erfenis

0

Preview uit Hoofdstuk 6 ‘Naar onze tijd’
daarvan subhoofdstuk 6.2 het onderdeel: ‘Ongelijkheid, onze erfenis’

Centrum Periferie

De periode van de koloniale wereldrijken ligt nog maar 50 jaar achter ons. De uitbuiting, nog niet echt gestopt, heeft voor een moeilijk overbrugbare kloof tussen arm en rijk gezorgd. Als ik hier op wijs in gesprekken, is steevast de reactie, die koloniale periode is lang geleden en nu niet meer van invloed. En dit is zo’n punt waar de evolutionaire korte termijn visie heel goed van pas komt, in negatieve zin dan. Je vraagt je dan niet af hoe onze enorme rijkdom ooit tot stand gekomen is, het verleden doet er niet toe, we leven nu. Een dergelijke ontkenning vertroebelt het denkvermogen en maakt de weg vrij voor het type ‘massamens’, zoals beschreven door Ortega y Gasset (48).

Om nog enige afstand te nemen en de blik te verruimen, wil ik de koloniale kwestie ook even spiegelen aan een stukje (moedwillig?) vergeten geschiedenis elders op onze aardbol. De Chinezen wilden als machtig land in 1421 kennis maken met de rest van de wereld en daarvan leren (63). Vreemd in onze ogen: niet veroveren, niet uitbuiten. Wellicht lag die andere levenshouding besloten in het Boeddhisme. Of het Confucianisme. Of het Taoïsme. In ieder geval een geheel andere mens-benadering dan het Christendom, want de Europese koloniale uitbuiting kon plaatsvinden onder toeziend oog van de kerken. De dominee had de heilige plicht om te bekeren, ondertussen kon de koopman zijn gang gaan.

De rijkdom van Nederland en van vele andere westerse landen zijn niet los te zien van het koloniale tijdperk.

Vanaf ongeveer 1500 stichten de Europese landen wereldwijd handelsposten. Veel van deze gebieden groeiden na 1700 uit tot formele koloniën. Voor Nederland waren dit uiteindelijk het huidige Indonesië, Suriname en enkele eilanden in het Caribisch gebied. Het is een periode van een langdurig en eenzijdig uitbuitingsproces. Er wordt voornamelijk gehaald en afgeroomd met geen of nauwelijks investeringen in het onderwijs of infrastructuur.

Andre Gunder Frank (68), Duits-Amerikaans historicus en socioloog, heeft een interessante visie op deze afhankelijkheid. Als wij spreken over ‘de arme landen’ dan bedoelen we de ‘ontwikkelingslanden’. Een dergelijke aanduiding is volgens Frank niet correct, er is namelijk helemaal geen sprake van ontwikkeling, eerder van achteruitgang. Het is daarom beter te spreken van ‘onderontwikkeling’. En die ‘onderontwikkelde landen’, komen steeds meer op achterstand door een voortgaand eenzijdig afstaan van grondstoffen en kapitaal richting het moederland. 

De rijkdom van de één is de armoe van de ander. De ontwikkeling van het moederland had de onderontwikkeling van de kolonie tot gevolg. En die achterstand is moeizaam of niet in te halen. 

Frank noemde dit de ‘centrum-periferie’-relatie. In het centrum ontstaat opeenhoping van rijkdom, daar ligt de macht, daar zijn de middelen, daar is de kennis. Deze afhankelijkheid blijft ook na het zelfstandig worden van de kolonie in stand. Er was geen voorbereiding voor de inrichting van de nieuwe natie, onvoldoende scholing, geen democratische instituties, geen doelmatig overheidsapparaat. Veelal het moederland gunstig gezinde dictatoriale regeringen werden in het zadel gehesen. Aldus bleef de eenzijdige stroom naar het oude moederland in stand. 

Maar ook erger. Er ontstond nu ook een interne centrum-periferie-afhankelijkheid. De nieuwe leiders, opgeleid en getraind in het centrum, volgden het voorbeeld van de eerdere machthebbers, de periferie wordt in de nieuwe hoofdstad voor persoonlijk gewin nog steeds leeggezogen. Politieke macht blijkt de ideale toegang tot persoonlijke rijkdom. Leiderschap wordt synoniem met zelfverrijking. Helaas is dit in veel landen nog steeds het geval en sommige leiders kunnen maar moeizaam afstand van het pluche doen. Recent nog weiger(d)en in diverse Afrikaanse landen presidenten na hun formele periode de macht over te dragen. 

Afrika is in potentie rijk. Na jaren van onafhankelijkheid is er inmiddels een redelijk opgeleide arbeidsbevolking. Toch leven velen in armoede en nog steeds worden bodemschatten aan het continent onttrokken. In 2015 ontvingen Afrikaanse landen aan leningen, persoonlijke overmakingen en hulp in de vorm van giften een bedrag van 161 miljard dollar. Daarentegen vloeide 203 miljard dollar weg via bedrijven die winst wegsluizen, door illegale transacties, maar ook door de rest van de wereld opgelegde kosten onder andere om klimaatverandering tegen te gaan (www.globaljustice.org.uk).

In het Midden-Oosten hetzelfde verhaal. Ook hier kwamen goed gezinde vazalregeringen aan de macht, het westen kon blijven profiteren van de olie. 

De keuze van het oorspronkelijke moederland om niet of nauwelijks te investeren in onderwijs en infrastructuur, begint in een globaliserende wereld aardig op te breken. Het gebrek aan democratisch besef bij de bevolking, zeg maar de noodzakelijke ‘verlichting’ in de woorden van de Tocqueville, leidde tot het volledig mislukken van de Arabische lente. Machthebbers hebben er geen belang bij om de bevolking goed op te leiden en voor te bereiden op vormen van democratie. Ja, dan treedt de ‘trap naar terrorisme’ (61) in werking, onvrede vindt geen uitweg en jongeren gaan radicaliseren, chaos is het gevolg met als resultaat enorme migratiestromen.

Overigens, de centrum-periferiegedachte is niet per se beperkt tot de vroegere koloniën. Ook binnen westerse landen is sprake van economische afhankelijkheid. Een interne Nederlandse centrum-periferierelatie was de exploitatie van kolen in Limburg. De ouderen onder ons weten het nog wel, Limburg stond in het aardrijkskundeboek omschreven als een wingewest. De beslissingen kwamen uit Den Haag, de opbrengsten gingen ook naar Den Haag. En recentelijk gebeurde hetzelfde met het aardgas in Groningen. 

We zien het ook in andere landen, Vlaanderen versus Wallonië, het arme zuiden en het rijke noorden van Italië, het arme oosten en rijke westen in Duitsland. Overigens, binnen de EU is men zich zeer bewust van het achterblijven van perifere gebieden, voor het bevorderen en ontwikkelen van de infrastructuur in perifere zones zijn er aparte potjes. Een Europese reiziger naar buitengebieden zal dat aan de hand van de vele projecten aanschouwelijk beamen. 

De centrum-periferie gedachte van Frank toont aan dat een (te) ongelijke ontwikkeling binnen een gemeenschappelijke markt, zeer onwenselijk is. Niet alleen tussen regio’s of zelfs binnen een samenwerkingsverband als de EU, maar de hele wereld. Immers, door globalisering zitten we met zijn allen in hetzelfde schuitje, we zijn allemaal onderdeel van de neoliberale context. Ongelijke ontwikkeling is niet gewenst, er zal ook gedeeld moeten worden. Probleem, hier ontstaat weerstand. Wel begrijpelijk, want wat hebben wij te maken met de zwakke broeders? Die moeten maar voor zichzelf zorgen. Want als het om de portemonnee gaat, wordt zo’n beetje het hele Nederlandse volk weer kolonisator en roept: ‘Geen cent naar Griekenland.’ 

Is dat hetzelfde als ‘geen cent naar Groningen?’ 

Terug naar het boek