3. Religie

0

3. Religie

‘Imagine there’s no heaven, it’s easy if you try. No hell below us, above us only sky.’ (Yoko Ono en John Lennon). Stel je voor, er was geen religie, zou er dan wel een samenleving zijn geweest? (Ybo van den Beukel)

3.1 Oorsprongsmythen


– Van voorouderverering naar religie
Het Latijnse woord ‘religio’ betekent ‘zingeving’ of ‘spiritualiteit’. Het refereert aan een hogere macht, maar niet persé aan een godheid. Religie is dan ook een paraplubegrip, het omvat zowel een godsdienst van meerdere goden (polytheïsme), een enkele godheid (monotheïsme), als ook diverse spirituele stromingen zoals het boeddhisme (27). Het algemeen aanvaard kenmerk van al die vormen van religie is het vinden van antwoorden op vragen over het ontstaan, de dood, het levensdoel, een hiernamaals, dat soort zaken. 

Ik ben me ervan bewust dat religie door velen wordt gezien als een ballast, als een ‘menselijke’ fout. Een dergelijke zienswijze is te simpel. Om dit beeld te nuanceren, is het nuttig met de methode van de sociogenese de ontstaansgeschiedenis nader te bekijken. Het is mij daarbij niet te doen om het inhoudelijke belang van zingeving of troost, mijn insteek is de maatschappelijke betekenis. In mijn visie is religie in de diverse verschijningsvormen dè gemeenschappelijke deler voor het ontstaan en het voortbestaan van samenlevingen. Want door een breed aanvaard ‘geloof’ binnen een systeem van gedragsregels kunnen ook vreemden worden vertrouwd, samenlevingen kunnen groeien. Zeer nuttig in tijden waarin niemand kon lezen of schrijven. Het inprenten van de vrees om een eeuwig leven mis te lopen, is in die zin slechts een gunstig bijproduct, het houdt gelovigen bij de les. Ik ben dan ook niet geïnteresseerd in een godsbestaan, wel in het maatschappelijk belang. De leefregels in de Tien Geboden, in het 8-voudig pad en in de koran staan borg voor de opvoeding van volgzame burgers; resultaat is rust en continuïteit. 

De eerste religieuze uitingen waren animistisch van aard, onze oervaderen zagen speciale krachten in de natuur en dieren. Dit was een wereldwijd fenomeen, nog te zien bij enkele geïsoleerd levende volken. Vanuit dit animistisch begin zijn er talloze variaties ontstaan. Een link tussen enerzijds deze natuurkrachten en anderzijds de sterfelijke mens, wordt gelegd door James George Frazier (28) in zijn boek ‘The Golden Bough’. Een priester, als ‘incarnatie’ van een bosgeest of een dier, reguleert de seizoenen en de vruchtbaarheid en verkrijgt daarmee een aureool van heiligheid en onaantastbaarheid. Dergelijke natuurbeheerders zijn vrij algemeen bij primitieve volkeren. Magie is dikwijls een terugkerend element, maar ook thema’s als voortplanting, vruchtbaarheid, de dood en de wederopstanding in een paradijs. Bij het begin of einde van de diverse cycli vinden veelal ceremonies of rituelen plaats. Dit geldt niet alleen voor natuurlijke of biologische aangelegenheden zoals geboorte, ziekte, overlijden, maar ook voor ‘sociale’ gebeurtenissen, zoals de overgang naar volwassenheid, de huwelijksvoltrekking, oogstfeesten of de nieuwjaarsviering. In de schriftloze samenlevingen werden verklaringen van de oorsprong, het waarom en hoe de mens werd gemaakt als oorsprongsmythen mondeling aan volgende generaties doorgegeven. De verhalen variëren van een God die zich alleen voelde en dienaren of slaven nodig had, tot de overdracht van goddelijk gezag aan een wereldlijk persoon. In dit laatste geval wordt een wereldse beheerder aangesteld, die als een soort rentmeester fungeert. Om bijvoorbeeld in een droog klimaat de irrigatie te reguleren. Denk aan de Farao’s, langs de Nijl kun je nog steeds de waterputten bezoeken. 

Al deze mythen hadden een sociale betekenis, zij rechtvaardigden de bestaande orde en machtsverhoudingen met veelal een verwijzing naar de voorvaderen, die deden het altijd goed. Uit deze schriftloze periode zijn wandschilderingen, grottekeningen en beeldjes bewaard gebleven, onze erfenis. Een uitgebreide opsomming van wereldwijde mythen is onder andere te vinden in de Wereld Mythologie (29).

De eerste geschreven mythen komen pakweg 3000 voor Chr. uit het oude Soemerië (zuid Irak). Het is opmerkelijk dat er wereldwijd overeenkomsten en overlappingen zijn. Bijvoorbeeld verhalen vergelijkbaar met de bijbelse plagen in Egypte, een god die opdracht geeft een schip te bouwen om te ontkomen aan een zondvloed die zeven dagen en zeven nachten zou duren. In ongeveer 300 culturen komen soortgelijke verhalen en mythen voor, het duidt op een gemeenschappelijk Indo-Europees erfgoed. 

De laatste link, de overgang van mythen naar een formele religie, wordt gelegd door Mircea Eliade (30). De geschreven oorsprong mythes waren daadwerkelijke en feitelijke gebeurtenissen en derhalve een blijvend voorbeeld. Deze mythen kregen ‘eeuwige vastigheid’ door het bouwen van tempels, totempalen, heilige plaatsen en door het instellen van een liturgie. Deze structuur kreeg definitief vorm na de agrarische revolutie en de vestiging op één plek. Ook vele onbekenden kunnen nu worden vertrouwd, zij hangen hetzelfde geloof aan, de samenleving kan verder groeien. 

Een overzicht van animisme, mythen en religies is te vinden in de ‘Encyclopedie van de Wereldreligies’ (31). 

– Doel en zingeving
Evolutie heeft behalve overleven en voortleven geen doel, er is geen plan. Echter, als mensen via een ‘sociaal contract’ met anderen in grote aantallen samenleven, is gezamenlijke zingeving noodzakelijk. En dàt impliceert wèl een plan, of op zijn minst afspraken hoe een wij-gevoel op te wekken. Van een dergelijk ‘gezamenlijk doel’ kun je een visuele voorstelling maken. Trek op een leeg vel papier iets boven het midden een horizontale lijn: de horizon. Daarboven, in het midden teken je de zon, dat is het ‘doel’. Zelf sta je onder de horizonlijn. Kies maar een plek, teken een poppetje en trek daarvandaan met potlood een rechte lijn naar het doel. Maar je bent niet alleen, zet nog eens vijf, tien of meer poppetjes op willekeurige plekken en trek steeds een lijn naar het doel. Alle lijnen komen samen, convergeren in het gemeenschappelijke doel. Iedereen in deze ‘samenleving’ heeft dezelfde focus. Maar er is meer. Je weet ook waar alle anderen ten opzichte van jou staan. Die lijntjes kun je ook trekken. En nog meer, alle je kent ook de posities die alle anderen ten opzichte van elkaar innemen. Iedereen heeft hetzelfde doel, je kunt iedereen vertrouwen. Dat geeft rust en zekerheid, dat is het wij-gevoel. 

Als je nu op het papier de zon, de horizon en alle verbindingslijnen uitgumt, blijven afzonderlijke poppetjes over. Er is geen gezamenlijk doel meer, niemand weet meer waar de ander staat. Het is nu ook moeilijker de eigen positie te bepalen. 

Recentelijk is religie als zingeving weggevallen. Maar ook andere ideologische zekerheden, de verzorgingsstaat. Vastwerk wordt flexwerk, we zijn aangeland in een vloeibare samenleving, het gemeenschappelijk doel vervaagt of wisselt met de waan van de dag. Iedereen is op zichzelf aangewezen, men is dolende. Het is een weergave van de neoliberale participatiesamenleving.

3.2 Ontstaan van samenlevingen


– Religie als voorwaarde en het monotheïsme
De maatschappelijke functie van religie was de prille samenleving voorzien van sociale regelgeving. Van de Tien Geboden gaan er acht over gedragsregels. Als de groep groter wordt, niet iedereen kent elkaar meer, ontstaat een ‘angst voor vreemden’. Dat is Dunbar’s Number, de mens kan met maximaal 150 anderen samenleven, meer kan de neocortex niet aan. Als iedereen zich aan vaste gedragsregels houdt, kan die angst doorbroken worden. Omdat het ‘geloof’ met ‘universele’ regels, normen en waarden ook buiten de directe kring wordt aangehangen, kunnen ook onbekenden als geloofsgenoten vertrouwd worden. Dat was al zo in mijn jeugd, met het gezin op vakantie bij ‘een’ gereformeerde broeder in Katwijk. 

In een schriftloze periode, zonder pasklaar ‘organisatieconcept’, zorgde religie voor rust en zekerheid. Omdat gedragsregels naast de instandhouding van de groep, ook gericht worden op goede werken en naastenliefde, ontstaat een gevoel van geborgenheid en is er minder angst om hulpbehoevend te worden. Daar komt nog iets bij, religie kan op de lange termijn de continuïteit van een samenleving beter waarborgen dan een wispelturig en sterfelijke leider. 

Een niet onbelangrijk punt moet nog aangeroerd worden, namelijk het verschil tussen polytheïstische en monotheïstische godsdiensten. Ingeval van ‘poly’, meerdere goden, wordt de conflicten tussen de goden onderling uitgevochten. Die strijd vindt niet op aarde plaats, de gelovige maakt hier geen deel van uit. 

Bij de monotheïstische godsdiensten, het jodendom, het christendom en de islam, ligt het anders, het geopolitieke aspect speelt hier wel degelijk een rol. De enkele god met zijn ‘uitverkoren’ volk op aarde, maakt aanspraak op een wereldlijk grondgebied, al dan niet als voorportaal voor een hiernamaals. Het ‘beloofde land’, het ‘Heilige Roomse Rijk’ of het kalifaat moeten verdedigd of zelfs uitgebreid worden. Hier wordt een gelovige dus wèl bij de strijd betrokken. 

Samenlevingen met een monotheïstische religie zijn juist door die wereldlijke aanspraken veelal krachtiger, machtiger en standvastiger. Gelovigen zijn eerder bereid de strijd aan te gaan. Onze geschiedenis wijst dat uit.

– Tien Geboden
Door de Tien Geboden is de invloed van religie op de inrichting van westerse christelijke samenlevingen wel heel erg evident. Ik ga er daarom wat dieper op in. 

De tien ‘woorden’, uitspraken of geboden bevatten leefregels die volgens de twee grote religieuze stromingen, het jodendom en het christendom, door god aan de mensen gegeven zijn. De oorsprong is niet precies te achterhalen, het meest waarschijnlijk is het in de periode dat samenlevingen zich gaan ontwikkelen, zo ongeveer tussen 1200 tot 700 voor Christus. Volgens Exodus 20:1 ontving Mozes op de berg Horeb in de Sinaï-Woestijn de Tien Geboden op twee stenen tafelen. De exacte tekst zal wel verloren zijn gegaan, de essentie is bewaard gebleven. 

In ‘Erfenis zonder Testament’ (32) zien Hans Achterhuis en Maarten van Buuren per gebod een gelijkenis met de zogenaamde wereldlijke verbondsovereenkomsten. Daarmee krijgen de Tien Geboden al direct een geopolitieke lading. Om de simpele reden dat het onze huidige regels en wetten inzichtelijk maakt, gaan we ze aan de hand van beide auteurs één voor één bekijken. Overigens, de nummering van de Tien Geboden kunnen voor de joden, de Grieks orthodoxe kerk, de katholieke kerk en de protestantse kerken enigszins verschillen, ze zijn wel eensluidend.

Eerste gebod: Ik ben uw God, Gij zult geen andere Goden hebben.
Het feit dat wordt verwezen naar andere goden geeft al aan dat er (geduchte!) concurrentie was. Dat blijkt al als Mozes te lang wegblijft en Aaron, weliswaar op verzoek, ter aanbidding een Gouden Kalf smeedt. Echter, in tegenstelling tot de concurrentie, gaat het nu om één enkele god en dit nieuwe monotheïsme heeft nu ook een uitverkoren volk binnen een aards gebied. De strijd wordt verlegd naar de aarde, het volk is op weg naar het ‘beloofde’ land. 

Tweede gebod: Gij zult geen afgodsbeelden maken.
In feite heeft het tweede gebod dezelfde strekking als het eerste. In een periode waarin van een godsconcurrentie sprake is, waarbij er meer kapers op de kust zijn, is het niet onlogisch dan ook maar alle beeltenissen te verbieden. Bovendien, het niet kunnen visualiseren van de godheid schept een sfeer van iets geheimzinnigs en iets heiligs. 

Wat betreft het christendom, pas op het Concilie van Nicea (787 na Christus) werden afbeeldingen weer toegestaan. Echter, de kerkhervormers Calvijn en Zwingli gingen de oorspronkelijke Bijbelteksten opnieuw interpreteren en dat had in 1566 de Beeldenstorm tot gevolg, in de protestantse kerken werden de beeltenissen weer verwijderd. Het algeheel verbod op afgodsbeelden vindt men behalve bij de protestanten, de oosters orthodoxen, de oosters katholieken, ook bij de islam.

De eerste twee geboden refereren aan aan god zelf, de overige geboden bevatten allemaal sociale regels. 

Derde gebod: Gij zult mijn naam niet ijdel gebruiken.
Dit gebod was van belang bij het afleggen van een ‘aardse’ belofte, vooral in gebruik bij ‘orale’, mondelinge culturen. Het geschreven schrift bestond nog niet of was onvoldoende ontwikkeld. Het gaat hier om de juridische betekenis, onmisbaar in een samenleving zonder registratie of kadaster. Het sociale belang is duidelijk, tot op de dag van vandaag kennen wij de mondelinge gelofte ‘zo waarlijk helpe mij God’.

Vierde gebod: Gij zult de Sabbat in ere houden.
Dit gebod wordt algemeen gezien als het rustpunt na de schepping, de tijd nemen en overzien wat voorafgegaan is. Het maatschappelijk belang van dit gebod is de periodieke evaluatie. Hans Achterhuis: ‘De Joodse rustdag van de sabbat is door de christenen naar de zondag verplaatst. In het hardwerkende bestaan dat mensen vroeger leidden, vormden zowel de sabbat als de zondag een essentieel rustmoment. Dat bleef zo. Vandaag de dag lijkt dit vaststaande rustpunt door de voorthollende economie verzwolgen te worden. Want het oude gebod, deels in geseculariseerde versie, kan ons juist in onze tijd belangrijke diensten bewijzen om onze gezamenlijke maatschappelijke ritmes te behouden.’

Vijfde gebod: Eert uwen vader en uwen moeder.
Dit gebod is een overblijfsel van de mythologische ouderverering. Het is de aandacht voor de oorsprong, het verleden: ‘onze ouders deden het altijd goed’. Hiermee werd voorkomen dat ouderen na een vruchtbaar leven op pakweg 50-jarige leeftijd aan hun lot werden overgelaten. Volgens dit gebod zijn ‘kinderen‘ de verzekering voor de oude dag. Dat was tot de jaren vijftig van de vorige eeuw ook bij ons gemeengoed. Met de ontkerkelijking en de introductie van de AOW, heeft dit vijfde gebod aan waarde ingeboet. Kinderen zijn niet meer gehouden in de buurt van de ouders te blijven wonen. Dit heeft de mobiliteit vergroot en bijgevolg ook de welvaart. 

Zesde gebod: Gij zult niet doden.
De Bijbel is in het Oude Testament behoorlijk scheutig met het ‘ter dood brengen’. Dat betreft dan altijd afvalligen, steeds ter bescherming van de godsdienst en het territorium. Dit is een belangrijk gebod: de eerdere ‘natuurstaat’, gekenmerkt door de absentie van regels en wetten, is overgegaan in de georganiseerde staat, die het recht op geweld heeft gemonopoliseerd en daarmee voorkomt dat burgers elkaar de hersenen inslaan. 

Zevende gebod: Gij zult niet echtbreken.
Er zijn bronnen die beweren dat het zevende gebod in de oorspronkelijke betekenis niet over echtbreuk gaat, er zou sprake zijn van een foutieve vertaling. Dit gebod zou dan gaan over ‘verbastering’. Hiermee wordt bedoeld het zuiver houden van de groep. Want verbastering bezoedelt de groep, het volbloedige karakter gaat daarbij verloren. Voordat een ultrarechtse groep deze tekst gaat kapen, moet men wel bedenken dat dit gebod te maken heeft met bezit. Vervreemding van eigendom door vermenging of verbastering moest worden voorkomen. Overtreding was dan ook dermate ernstig dat er de doodstraf op stond. We leven inmiddels in een tijd van welvaart en anticonceptie. Erfopvolging is inmiddels in onze welvarende samenleving minder van belang.

Achtste gebod: Gij zult niet stelen.
Het begrip ‘stelen’ impliceert bezit en eigendom. Het is verhelderend te zien hoe men in de geschiedenis totaal anders over deze zaken is gaan denken. Want ook dit gebod had oorspronkelijk een andere betekenis, namelijk het omgekeerde. Landbezitters of landeigenaren hadden de ‘plicht’ het land en de opbrengsten te delen met de armen. En juist als zij dat niet deden, werd dit gezien als stelen. Dit is in lijn met de christelijke traditie, de vruchten der aarde zijn gemeenschappelijk aan het mensdom gegeven, de gelovige is slechts rentmeester en niemand heeft recht op een exclusief bezit daarvan. Overigens, dit principe bestond ook in Nederland zo ongeveer vanaf de Middeleeuwen in de vorm van de ‘meent’. De meent of gemeenheid was het gebruiksrecht van stukken land, veelal in ruil voor het onderhoud daarvan. Elke gebruiker kon naar verhouding land bewerken, schapen laten grazen, vissen, turfsteken, et cetera. In kleinere gemeenschappen voldeed dit gebruiksrecht heel goed om aan de zorg van de eerste levensbehoeften te voldoen. Dit wordt anders door de massaliteit, de groei van samenlevingen. Eigendomsverhoudingen veranderen. De wijze waarop in de 21e eeuw over eigendom wordt gedacht verkrijgt een nieuwe dimensie. Als jij een bank berooft, ga je de gevangenis in. Als een bankier jou ‘berooft’, wordt hij beloond met een bonus.

Negende gebod: Gij zult geen valse getuigenis afleggen.
Ook dit gebod moet in de tijd worden gezien. Er was destijds nauwelijks iets van rechtspraak. Iedereen kon iedereen van alles en nog wat beschuldigen. Dit gebod staat ook in relatie tot het derde gebod ‘Gij zult mijn naam niet ijdel gebruiken’. Niemand kon lezen of schrijven, op deze wijze kon er wel enige zekerheid aan een belofte worden afgedwongen. Een overblijfsel in onze tijd is: ‘Ik zweer in de naam van…’

Talloze filosofen hebben zich met het vraagstuk van belofte en waarheid beziggehouden. Als voorschot, later hierover meer, Immanuel Kant, introduceert de categorische imperatief (33), in feite de verwereldlijking van de christelijke gedachte: ‘doe een ander niet aan wat je ook niet wil dat jou wordt aangedaan.’

Tiende gebod: Gij zult de vrouw uwer naaste niet begeren.
Ook dit gebod moet in een ruimere en algemene zin van begeren worden opgevat. Het gaat ook hier om materiële zaken zoals het huis van uw naaste. Overigens, het fenomeen ‘begeerte’ dan wel hebzucht komt in alle stromingen voor, altijd als oorzaak van sociale conflicten. 

Dit zien we als eerste terug in de mythen: de goden zijn jaloers, verliefd of pikken iets niet en vechten dat uit. Bij de niet-godsdiensten, bijvoorbeeld Boeddha en Lao Tse, wordt de boodschap meer filosofisch tot het individu gericht. In het volgende hoofdstuk laat ik de lezer kennis maken met het gedachtegoed van René Girard (34) en diens zogenaamde ‘mimetische begeerte’. Want als begeerte overgaat in jaloezie en daden, zullen conflictsituaties ontstaan. En precies dàt wordt bedoeld met dit laatste gebod.

3.3 Andere religies


– Azië
Vanuit westerse optiek wordt veelal gedacht dat de Europese cultuur uniek is. Dat beeld wil ik iets corrigeren. In Azië hing de vorming van nationale staten niet persé af van een godsdienst, hier kwam de noodzakelijke sociale regelgeving voort uit sociaal filosofische stelsels: het boeddhisme (27) het confucianisme (35) en het taoïsme (36). 

Het boek ‘1421’ (37) geeft in dat opzicht ook een totaal ander beeld van China. De auteur Gavin Menzies voegt een veelzeggende titel toe: ‘Het jaar waarin China de nieuwe wereld ontdekte’. Want was het wel Columbus? Op eerdere Chinese kaarten was Amerika al ingetekend. Het boek is weliswaar aan kritiek onderhevig, waar het mij om ging was de houding van de chinezen, zij wilden als machtig land in 1421 slechts kennis maken met de rest van de wereld en daarvan leren. Nogal vreemd in onze ogen: niet veroveren, niet uitbuiten, slechts kennismaken. Opmerkelijk. Die andere levenshouding kwam kennelijk voort uit het Boeddhisme, het Confucianisme en het Taoïsme, waarschijnlijk een combinatie daarvan. Het is een totaal andere mens benadering dan het monotheïstische Christendom in ons deel van de wereld. De koloniale uitbuiting door Europeanen kon plaatsvinden met toestemming van de kerken. De dominee had de ‘heilige’ plicht om vreemde volken te bekeren, ondertussen kon de koopman zijn gang gaan.

Het vermelden waard, een aparte positie wordt ingenomen door het shintoïsme (38). Diepgeworteld in de typisch Japanse cultuur is het shintoïsme te omschrijven als een soort animisme, een natuurgodsdienst, met eerbied voor groei en vruchtbaarheid. Verering vindt plaats in zowel openbare heiligdommen, als in privé tempels. Echter, de overgang van mythe naar een volwassen godsdienst vond niet plaats door spontane sociale processen, maar werd doelbewust door een wereldlijke macht aangestuurd. Het onderschrijft nog eens mijn stelling dat religie een voorwaarde is voor het ontstaan en voortbestaan van samenlevingen, de geopolitieke signatuur is evident. Het shintoïsme werd door de machthebbers rond 800 na Chr. als het ware gekaapt en ingezet als ideologie ter rechtvaardiging van de keizerlijke macht. Hierbij werd zowel gebruik gemaakt van militaire pressiemiddelen, als ook van godsdienstige rituelen. In de periode van 1868 tot 1945 was het shintoïsme de officiële staatsgodsdienst. Heel lang geloofde men dat de keizer afstamde van de hoogste godheid en om die reden eerbied en gehoorzaamheid van het volk verdiende. Keizer Hirohito deed uiteindelijk op aandrang van de Amerikanen in 1946 gedwongen afstand van deze goddelijke status. – Islam

Elke religie is in de geest vredelievend. Dat geldt voor het jodendom, het christendom en ook voor de islam. Geweld in monotheïstische godsdiensten is nimmer het doel. Als dat wèl zo was, dan had de wereld er anders uitgezien. Uiteraard, verdediging en uitbreiding van het geloofsgebied kan periodiek tot geweld leiden. Ook het christendom kende dergelijke perioden. Geweld is hooguit een middel, nooit het doel.

In het boek ‘Het geloofsinstinct: het succes van religie’, zijn ook bij Nicolas Wade (39) de drie monotheïstische religies betrokken bij gebiedsafbakening, echter elk met een iets andere koers. Het jodendom begon als een expansionistisch geloof ten behoeve van een beloofd land voor een uitverkoren volk; na een nederlaag werd het uiteindelijk een vredelievende religie. Overigens, door de diaspora en de ‘Endlösung’ ten tijde van nazi-Duitsland werden aanspraken op een eigen Joodse staat weer een doel, maar uitsluitend voor jet joods volk. In tegenstelling tot het jodendom, is zowel het christendom als ook de islam gericht op àlle gelovigen, ongeacht ras of nationaliteit.

Het christendom begon geweldloos als protestreligie binnen het Romeinse Rijk. In de periode van de Kruistochten en de Inquisitie werd het agressief. Pas na de scheiding tussen kerk en staat, zo ongeveer ten tijde van de Franse Revolutie in 1789, werd het christelijk geweld geneutraliseerd. Uit deze scheiding kun je al afleiden dat ‘religieus’ geweld via de staat verloopt, niet vanuit de kerk. 

Over geweld zegt ook religie expert Karen Armstrong (40) in ‘Een geschiedenis van God’, dat motieven voor het gebruik van geweld vaak weinig of helemaal niets met religie zelf te maken hebben, maar altijd sociaal, economisch en politiek van aard zijn. Het gaat daarbij steevast om de macht, om een territorium. Godsdiensten in de sacrale vorm zijn dan ook niet persé schuldig aan bloedvergieten, maar vanwege politieke doeleinden steeds ‘misbruikt’ om geweld te rechtvaardigen. Religie is als een stok, het is aan degene die hem vasthoudt erop te leunen of er mee te slaan. 

De islam kent een iets andere geschiedenis. Anders dan in het jodendom en het christendom is de stichter van de islam een wereldlijk heerser die ook legers aanvoerde. Er lag dus al direct een nadruk op het vestigen van een wereldlijke staat of kalifaat, geen afzonderlijke of losstaande kerk daarbinnen. Vanwege deze militaire oorsprong ligt bij de islam geweld sowieso al meer voor de hand dan in het christendom. 

Het moet gezegd, de leer van de islam is simpel en bijgevolg voor velen aantrekkelijker dan het ingewikkelde christendom met een god-de-vader, een moeder-maagd, een zoon-van-vlees-en-bloed op aarde, een wederopstanding, een hemelvaart en een heilige geest. 

En er is nog een wezenlijk verschil. De bijbel is mensenwerk. Dat wil zeggen door mensen, profeten geschreven. De ‘mens’ bepaalde ook welke boekdelen in de bijbel werden opgenomen. Opmerkelijk, er is niet één enkel evangelie, er zijn vier waarheden. Het bijzondere daarvan is dan weer dat het christendom open staat voor interpretatie, plooibaar is. Daarom kon de Verlichting plaatsvinden. 

In tegenstelling tot de bijbel is de koran van bovenaf ingegeven, hier kan niet aan gemorreld worden. De koran staat door de alomvattendheid van het geloof in rangorde boven een wereldlijke grondwet. Bijgevolg heeft de imam meer gezag dan een politieagent. En dat zorgt in een veranderende wereld voor problemen, democratie en islam staan op gespannen voet met elkaar. De toekomst zal uitwijzen hoe de islam zich in een globaliserende wereld ontwikkelt. Gaan we wellicht in de richting van een typisch Europese democratische islam?

=

De strekking van dit hoofdstuk:
Religie in de brede zin van het woord, voorzag de groter wordende samenlevingen van een stelsel van sociale regelgeving. Ook onbekenden met eenzelfde geloof, kunnen worden vertrouwd. Religie was een voorwaarde voor het ontstaan van samenlevingen.   
De monotheïstische godsdiensten zijn agressiever en daarom ook succesvoller. 

De eerste reactie moet ik goedkeuren, dat kan dus even duren, maximaal een halve dag.
Daarna zal het systeem jouw e-mailadres verder herkennen.

 

Reacties zijn gesloten.