1. Tijd en Plaats

3

1. Tijd en plaats

Om onze complexe samenleving te begrijpen, is besef van de eigen positie een absolute voorwaarde.

1.1 Onze generatie


– Relatieve schaarste

Vier jaar na de Tweede Wereldoorlog zag ik het levenslicht, ik ben van de babyboomgeneratie. Voor mijn ouders waren dit de jaren dat moest worden aangepakt, werken aan de wederopbouw. Niet alleen mijn ouders, alle ouders. De oorlog was direct al een gesloten boek, zelden werd erover gesproken, het had kennelijk zijn zuiverende werking gedaan. Niet meer terugkijken, de terugslag kwam pas veel later. 

Het zijn de jaren van relatieve schaarste. Ik kan me niet herinneren dat wij ooit te kort zijn gekomen, uiteraard wel eten wat de pot schaft, er was geen keuze. Te ver doorgekookte groenten en gortepap waren om te overleven, niet omdat het lekker was. Verse groente was alleen in de zomer beschikbaar. In de winter misschien nog wat late spruitjes en vooral de koolsoorten. Woorden als ‘lust ik niet’ en ‘vind ik niet lekker’ hadden geen betekenis. Tegenwoordig lokken trendy restaurants hun klanten met ‘lokale seizoen groenten’. Alsof dat bijzonder is, ik kende niet anders. 

Kinderen hadden geen mening en al helemaal geen zeggenschap. Allemaal zaken die je achteraf met de wijsheid van nu beseft. Als kind leerde je destijds fietsen door achter je vader aan te rijden en te doen wat hij deed. Nadoen dus. Tegenwoordig draait alles om het zelf doen. Kinderen rijden nu voor hun vader uit, die roept ‘aan de kant’ of ‘stop’, ze moeten het zelf uitvinden.

Maar het kwam goed. Mijn generatie kent uitsluitend vooruitgang. Het gìng ook steeds beter, voor iedereen, uniek in de geschiedenis. De eerste koelkast heb ik zien binnendragen. Een eerste auto kwam voor de deur, tweedehands, dat dan weer wel. Niemand had een cent te makken, niet echt nodig er was nog helemaal geen vrijetijdseconomie, pretparken bestonden niet. De oudere jeugd had hooguit een mogelijkheid om met een krantenwijk wat bij te verdienen. Met je spaarcenten kon je met een geleende fiets op vakantie langs jeugdherbergen. Maar dan moest je wel eerst een brief schrijven gericht aan de ‘vader en moeder’ van het beoogde onderkomen. En uiteraard op antwoord wachten. Wat een verschil met de huidige last minutes.

– Solidariteit en verzuiling
De periode van de wederopbouw werd gekenmerkt door volgzaamheid. Ik groeide op in een vaststaande hiërarchie, ouders, de dominee, de notabelen, de burgemeester en dan de rest. Ik had geen echte angst voor het gezag, maar wel een behoorlijke dosis ontzag. Als je kinderfoto’s van pakweg 1955 vergelijkt met nu, zie je direct het verschil. Toen waren het bedeesde gezichtjes in gespannen afwachting van wat de juffrouw zou gaan zeggen, nu kijken kinderen zelfverzekerd de wereld in. 

Tot ongeveer het einde van de jaren zestig kende Nederland een ‘zuilensamenleving’, een sociale scheiding in vier verticale kolommen gebaseerd op overtuiging, de katholieke, de protestantse, de sociaaldemocratische en een algemene zuil. Het gedachtegoed werd in stand gehouden door eigen verenigingen, een eigen krant, eigen winkels, een eigen omroep, eigen scholen en eigen politieke partijen. En uiteraard werd er binnen de zuil getrouwd, want ‘waar twee geloven slapen op één kussen, daar slaapt de duivel tussen.’ Je hoefde je dan ook nauwelijks met de andere ‘zuilen’ te bemoeien, die respecteerde je uiteraard wel. 

In die tijd speelde ook wat men aanduidt als de ‘Koude Oorlog’, de oplopende spanning tussen de Verenigde Staten en Rusland. Zondagmiddag klokslag 12 uur moest je stil zijn, dan ging de radio aan en besprak GBJ Hiltermann met dragende stem ‘de toestand in de wereld’. Als kind begreep je niet precies waar het allemaal om ging, de spanning was wel degelijk voelbaar. Het was voornamelijk de angst voor een nieuwe oorlog, ditmaal een alles verwoestend atoomconflict. Begrijpelijk, de Tweede Wereldoorlog met 65 miljoen doden, zo ongeveer tien keer de totale Nederlandse bevolking, zou daarbij kinderspel zijn. Het was net aan 10 jaar vrede, een atoomoorlog zou het einde van de wereld betekenen. Die angst kreeg je mee. Gelukkig, de wereld overleefde de Cubacrisis. 

Op intellectueel gebied veranderde er ook het één en ander. Vanaf 1968 in het kielzog van de studentenopstand in Parijs wordt medezeggenschap het sleutelwoord. Allemaal onder de paraplu van ‘emancipatie’, ook in Nederland. De sociaaldemocratie komt nu goed op gang. Door sociale voorzieningen voor bijstand en AOW hoeft geen beroep meer te worden gedaan op de kerk, de vangnetjes worden langzaam maar zeker naar de staat overgeheveld. 

Niet alleen de sociale rol van de kerk loopt ten einde, ook het geloof doet minder ter zake. Bij velen ontstaat twijfel rond het godsbestaan. Zelfs het ‘ik ga niet naar de kerk, maar ik geloof op mijn manier’, hoorde je al minder vaak klinken. Gevoed door emancipatorische bewegingen, kreeg religie meer en meer een negatief imago, soms overgaand in aversie. Religie zou homo’s en vrouwen discrimineren, legt een seksuele moraal op, is een keurslijf, is kortzichtig, brengt oorlog te weeg, belemmert vooruitgang. Het wijdverbreid misbruik van kinderen in de katholieke kerk en het geweld uit ‘naam’ van die andere religie, de islam, droegen ongetwijfeld bij aan de afkeer. 

De aanhoudende kritiek op religie bracht een verschuiving van geloof naar seculiere zingeving teweeg. In 1993 zond de VPRO de serie ‘Een schitterend ongeluk’ (1) uit. Wim Kayzer spreekt met een zestal internationale wetenschappers, die elk vanuit hun specialiteit een visie op de mens geven. Na afloop van de gesprekken komen deze wetenschappers bij elkaar voor een ontmoeting die een dag zou duren. ‘Ieder van ons is door die dag veranderd,’ zou Oliver Sacks later schrijven. Deze serie en later het boek, verbreedde mijn inzicht. De relatie evolutie en samenleving werd voor mij een belangrijk thema.– De gereformeerde paradox

Ik bemerkte dat de generatie boven mij, geboren voor 1950 en veelal strenger in het geloof opgevoed, het op latere leeftijd moeilijk kreeg. Een verklaring daarvoor is te vinden in het boek van Aleid Schilder ‘Hulpeloos maar schuldig’ (2). Zij beschrijft daarin wat zij noemt de gereformeerde paradox. Om dat te begrijpen, moet je weten dat de grondslag van het gereformeerde geloof de calvinistische ‘predestinatie’ is. Dat wil zeggen, elk mens is door god voorbeschikt. Met andere woorden, wat je ook doet, jouw lot, jouw plek in het hiernamaals staat vast, niets kan hier iets aan veranderen. Nou, zou je denken, ik kan dus leven als een beest, het maakt toch niet uit. Helaas, zo simpel is het ook weer niet, er wordt desondanks een ultieme gehoorzaamheid geëist. Dat wordt elke zondag ingeprent, de dominee predikt soberheid en legt strenge leefregels op. Volgt een gelovige deze aanwijzingen niet op, dan vervalt hij in zonde. En dat is een probleem, want hoe verhoudt zich het zondigen in het aardse leven tot de al vaststaande voorbeschikking voor toegang tot het hiernamaals? Op deze manier is de mens schuldig en hulpeloos tegelijk. Deze gereformeerde paradox bracht velen in geestelijke nood. 

Als jongste telg in een groot gezin en opgroeiende in een ontluikende welvaart, kon ik hieraan ontsnappen. Godzijdank zou je bijna zeggen. Maar ook weer niet helemaal, ik ben blij dat de goede elementen van de christelijke moraal zijn blijven hangen. Zoals respect jegens anderen, medemenselijkheid, niet vloeken, dat soort zaken. Bijbelteksten als ‘doe een ander geen onrecht aan’ en ‘zij die zonder zonden zijn, werpe de eerste steen’, hebben ervoor gezorgd dat ik in mijn leven nog geen kadetje heb gejat.

– Ik tel mijn zegeningen
Jongeren gaan in toenemende mate over geld en vrije tijd beschikken. De popmuziek begint aan een opmars met radio Luxemburg, de piratenzenders, Woodstock en Live Aid. Er ontstaat een groter zelfbewustzijn. Kantelpunt was 1968, het jaar van de studentenopstand aan de Sorbonne in Parijs. Het was de aanzet voor meer inspraak en democratie, het rommelde in heel Europa. In de nasleep van de Maagdenhuisbezetting (3) begon ik in 1969 in Amsterdam met mijn studie. Eerst twee jaar theologie aan de VU, daarna geswitcht naar het Sociologisch Instituut van de toen nog Gemeentelijke Universiteit, destijds een broeinest van links. De theorie van Karl Marx (4) is mij dan ook goed bijgebleven. Het ‘historisch materialisme’, simpel gezegd de drang naar geld en macht, bepaalt de inrichting van samenlevingen. De toenemende ongelijkheid tussen de heersende en arbeidersklasse zou volgens Marx onherroepelijk tot een gewelddadige omwenteling leiden. Je moet deze zienswijze natuurlijk wel in de tijd zien, het Communistisch Manifest met de beroemde slotzin ‘Proletariërs aller landen verenigt U!’, dateert uit 1848. Deze expliciet revolutionaire belofte had voor mij geen aantrekkingskracht, het Sovjetexperiment was toen al een drama. Marx was voor mij eerder filosoof, vanuit diens optiek kun je nog steeds met de methode van ‘follow the money’ machtsstructuren blootleggen, juist in onze tijd.

Sinds enkele jaren beschik ik over een smartphone. Het is geweldig als je in de polder wandelt en op ‘maps’ kunt inzoomen op de kerktoren in de verte. Ik ben gezond, weliswaar aan beide ogen aan staar geopereerd, had ik honderd jaar eerder geleefd dan was ik nu blind. Tenminste, als ik niet eerder aan de mazelen, griep, een blindedarmontsteking of iets knulligs was overleden. Dankzij nieuwe inzichten is de gemiddelde leeftijd aanzienlijk gestegen en mag ik bijgevolg langer genieten in sterrenrestaurants van Chileense wijnen. Vergeleken met amper vijftig jaar geleden een gigantische wereld van verschil. Ik heb nu AOW en een pensioentje, ik ben zelfredzaam, niet zoals vroeger afhankelijk van kinderen. Die kunnen nu zonder zorg voor hun ouders wereldwijd uitwaaieren. 

Gevoel en cijfers lopen uiteen, je zou het niet zeggen, toch wordt onze samenleving veiliger. Statistieken wijzen dat uit, een enorme verdienste. In ‘De kunst van het vreedzaam vechten’ (5) stellen Hans Achterhuis en Nico Koning het geweldsthema aan de orde. Bij de aanvang van zijn lezing stelt Nico Koning een algemene vraag: ‘Op welke wijze denk je ooit aan je eind te komen?’ De antwoorden beperken zich tot terminale ziektes en ouderdom. Opmerkelijk, niemand noemt geweld. De realiteit is dat tot diep in de 19e eeuw zo’n 20 procent van de bevolking door geweld om het leven kwam. Kun je je dat voorstellen? Dat is één op de vijf, ik moet er niet aan denken, ik kom uit een gezin van negen kinderen. Projecteer dit gegeven op je eigen familie en kennissenkring en tel je zegeningen. 

In de aanhef van dit hoofdstuk stond een voorwaarde: om onze complexe samenleving te begrijpen, moet je weten waar je zelf staat op de tijdlijn van de wereldgeschiedenis. Met een helikopterview kun je beter een oordeel vellen. Voor de recente geschiedenis kan ik je de boeken van Geert Mak aanbevelen, ‘De Eeuw van mijn Vader’ (6) en Europa (7). 

Voor mij, voor de babyboomers is de relatieve naoorlogse armoede en de welvaartssprong een gegeven. Dat ligt anders voor de huidige generaties. Onze kleinzoon zegt: ‘Opa, ik heb medelijden met je, in jouw tijd was er nog geen iPad!’ En dat is exact wat ik bedoel met ‘relatieve’ armoede: ‘Ja Fabian, maar ik weet tenminste hoe het is als je géén iPad hebt!’ En vooral, laat het tot de jongeren doordringen dat na enkele ongekend wrede wereldoorlogen, wij inmiddels al vijfenzeventig jaar in vrede en voorspoed leven. 

Inderdaad, ik ben bijzonder bevoorrecht, geboren op het juiste moment, in de juiste periode en op de juiste plek. Noem mij een land waar het beter is; ééntje maar. 

– Onvrede
Aan het begin van de 21e eeuw ontstaat onvrede, in verhevigde mate na de bankencrisis van 2008. Het populisme doet zijn intrede. Vaak gaat het om kleine dingen, maar ook om grote dingen. Er is het dure buskaartje, de voortdurend stijgende kosten en een alweer hogere eigen bijdrage voor de geprivatiseerde gezondheidszorg. Op Facebook zie ik een gedeelde foto van een afgetrapte Fiat Panda, ‘die is van Piet, bij elkaar gespaard met 30 jaar ploeteren.’ Daaronder een foto van een gloednieuwe Mercedes, ‘die is van Ahmed, twee maanden in Nederland.’ Waarschijnlijk allemaal verzonnen. Helaas, de reacties liegen er niet om. Steevast wordt verwezen naar ‘anderen’ en die anderen behoren niet tot de eigen groep, dat zijn asielzoekers, gastarbeiders, vreemdelingen. En die anderen krijgen steevast ‘voorrang’ op vergoedingen, subsidies, banen en woonruimte. En steevast is er de impliciete boodschap, over ‘mijn rug, betaald van mijn belastingcenten, zij wel, ik niet; wij zijn het slachtoffer.’

Het is buitengewoon zorgelijk dat het merendeel van dergelijke aantijgingen bestaat uit verzinsels en nepnieuws. Het zijn door emotie gedragen getuigenissen, zonder ook maar iets van historisch besef. En vaak is er de suggestie dat alle Nederlanders zo denken. Waar komt dit vandaan?

Het is sowieso verbazingwekkend dat koele cijfers totaal niet in de pas lopen met wat velen denken. Zo toonde Dr. Hans Rosling (8) met bewegende en interactieve statistieken aan, dat het wereldwijd met gezondheid en armoede juist heel goed gaat. Ook in de arme landen. En wij wonen in zo ongeveer het rijkste land ter wereld, wij scoren bijzonder gunstig op alle mogelijke lijstjes. Zelfs in tijden van zware economische crises zijn we er nauwelijks op achteruit gegaan. Jawel, dankzij de sociaaldemocratie, dankzij die vermaledijde ‘linkse kerk’.

Bij snelle maatschappelijke veranderingen en aanpassingen, kunnen velen het niet goed volgen. Is dat het? Gaat het te snel? Is men niet goed voorbereid, is men niet goed geïnformeerd? Is het de angst om rijkdom en zekerheid te verliezen? Is het niet zo dat wij, de Nederlandse kiezers, er destijds voor gekozen hebben de gezondheidszorg, de postbezorging, de energievoorziening, de watervoorziening, het openbaar vervoer te privatiseren? En we hebben toch ook de banken vrij spel gegeven? 

Je kunt je met de kennis van nu gevoeglijk afvragen of die keuze destijds wel met ons volle verstand werd gemaakt. Misschien begrepen we niet zo goed waar het om draaide. Feit is dat we heel langzaam maar zeker in een neoliberale context terecht zijn gekomen. Over het hoe en waarom ga ik het nog uitgebreid hebben.

1.2 Prangende Kwesties


– Plundering, de menselijke ‘footprint’
Op 16 juni 2017 lees ik in de Filosofiekalender: ‘De enorme toename van de materiële welvaart sinds het begin van de industrialisatie is uitsluitend gebaseerd op ecologische plundering.‘ Dit citaat komt van Niko Paech (9) uit ‘Liberation from excess‘ (2012). 

De toelichting van Fenna Kortooms wil ik je niet onthouden:

‘De Duitse econoom Niko Paech (1960) stelt dat ons hedendaagse samenlevingsmodel zichzelf heeft verzwakt door zich afhankelijk te maken van groei. De enorme groei in welvaart wordt veelal aangeduid als vooruitgang. Daarbij wordt echter vergeten dat de steeds efficiëntere productieprocessen een grote hoeveelheid ruimte en tijd opeisen: ruimte om goederen te produceren en een bijbehorende infrastructuur om te distribueren, tijd om de nieuwe producten in het leven van de mensen te integreren en zo de verkoop te doen stijgen. Voor deze groeiende efficiëntie worden fysieke grenzen overschreden. De gerichtheid op het vergroten van het bbp (bruto binnenlands product) heeft een enorme vernietiging van het milieu tot gevolg. 

Paech stelt dan ook dat we het bbp niet moeten zien als een schaal die ons inzicht geeft in de stand van de welvaart van landen, maar veeleer als een schaal voor de omvang van de vernieling van het milieu die een land op zijn geweten heeft. Deze milieuvernietiging is inherent aan ons systeem, omdat alle productie en economische groei gebaseerd is op materiële zaken. Paech stelt daarom dat onze rijkdom het resultaat is van een grootschalige plundering. Dat heeft geleid tot de ecologische ramp waarin we ons vandaag de dag bevinden.’

– Antropogeen
Door de ‘International Commission on Stratigraphy’ wordt de aarde sinds haar ontstaan in vier geologische tijdvakken ingedeeld: het Primair (Paleozoïcum), het Secundair (Mesozoïcum), het Tertiair (Paleogeen en Neogeen) en het Kwartair. Wij bevinden ons nu zo’n 12.000 jaar in het Holoceen, onderdeel van het Kwartair. 

Volgens bepaalde kringen is de aanduiding Holoceen, ‘het nieuwe tijdperk’, onjuist, beter zou zijn de term Antropogeen (10) te gebruiken. Anthropos betekent ‘mens’ en dat duidt op het tijdperk waarin de gevolgen van het menselijk handelen van invloed op de stabiliteit van de aarde zijn. De menselijke ‘footprint’ is inmiddels alom aanwezig. Door de verbranding van fossiele stoffen als turf, kolen, olie en gas, gingen in een kort tijdsbestek van pakweg 250 jaar, de in miljoenen jaren opgebouwde koolstofreserves letterlijk in rook op. Maar ook door ontbossing, veeteelt, akkerbouw en allerlei infrastructurele werken wordt de natuurlijke omgeving volledig veranderd. Alle aardse levenssferen werden op een of andere manier door de mens aangetast: de atmosfeer (gassen); de lithosfeer (de vaste aarde); de biosfeer (al het leven) en de hydrosfeer (alle vormen van het water). 

Als je vanaf Schiphol vertrekt, kijk maar uit het vliegtuigraampje, elk plekje in ons land is door de mens bewerkt. Bovendien, Nederland heeft met het verbranden van turf de bedenkelijke reputatie de eerste fossiele brandstofeconomie ter wereld te zijn. In de ijstijd zo’n 12.000 jaar geleden, werd Nederland bedekt met een laag veen, soms enkele meters dik. Vanaf het jaar 800 werd dit veen afgegraven, in blokken gedroogd en als turf gebruikt voor brandstof. Dit gebeurde op steeds grotere schaal. Voor een indruk, de kronieken vermelden dat alleen al in het enkele jaar 1636 er in Amsterdam 8314 turfschepen werden gelost. Amsterdam had destijds een inwoneraantal van ca. 125.000. 

Wetenschappelijk onderzoek vanuit diverse disciplines wijst onomstotelijk uit dat de mens van invloed is op een versnelde klimaatverandering. Wetenschappers staven met cijfers en theorieën hetgeen ik voor mijn eigen ogen zie gebeuren, mijn eigen waarnemingen. Ik heb dan ook een rotsvast vertrouwen in de wetenschap gezien de consensus over de methode van waarheidsvinding. Er zijn klimaatsceptici, de twijfelbrigade en de ontkenners, echter het hebben van een mening is iets anders dan wetenschap. Met andere woorden, het tegendeel van de menselijke invloed is niet aangetoond; er zijn (nog) geen ‘wetenschappelijke’ hypothesen die dit aantonen. 

Overigens, de bewustwording dat er grenzen zijn aan de groei van het menselijk samenleven dateert niet van vandaag. Zo beweerde Malthus (11) er al in 1798 op, dat de voedselproductie de bevolkingsgroei nooit zou kunnen bijhouden. Zijn oplossing was nogal onconventioneel. Arme mensen die moeite hadden een gezin te onderhouden, zouden volgens hem ook geen gezin mogen stichten. Zo’n 150 jaar later werd een dergelijke zienswijze in de praktijk gebracht door China met de éénkind politiek. 

De mens slokt meer en meer ruimte op en dat gaat ten koste van de mondiale biodiversiteit. Tropische wouden worden opgeofferd ten behoeve van cash crops. Op zich misschien niet zo erg, soorten ontstaan en soorten sterven uit, een evolutionair gegeven. Echter, een mate van biodiversiteit is noodzakelijk om het ecosysteem in stand te houden. Als dat niet meer lukt, als het evenwicht wordt verstoord en de aarde zich niet meer kan herstellen, zijn we echt overgeleverd aan de voedselveredelaars Monsanto en Bayer. Alleen nog door gewassen te muteren, kan voldoende voedsel worden geproduceerd. Probleem is vooralsnog dat de productie, het verbruik en de verdeling niet goed op elkaar zijn afgestemd. Om de eigen voedselproductie veilig te stellen, koopt China elders grote stukken vruchtbaar land op, bijvoorbeeld in Afrika. Een inhoudelijke discussie over klimaat en biodiversiteit ga ik hier niet voeren, daarvoor heb ik geen kwalificaties. Eén ding weet ik wel heel zeker, er is een milieu-, dan wel een klimaatprobleem, er moet iets gebeuren. Ten aanzien van het behoud van de eigen leefomgeving staat de mensheid voor de ultieme uitdaging ooit: de bewustwording dat er iets moet gebeuren, het eens worden over wat er moet gebeuren en afspreken hoe we dat gaan doen. Dit vertaalt zich in een tweetal prangende kwesties: 

1e Prangende Kwestie:

Wat is de invloed van het menselijk handelen op de aarde en wat zou er moeten gebeuren om het menselijk leefgebied voor volgende generaties te behouden?

Misschien een beetje ver van ons bed, alvorens hierop in te gaan, een tussenopmerking. We weten nu al dat aan de levensduur van ons zonnestelsel sowieso een eind zal komen, er is nog zo’n één miljard jaar te gaan. Waterstof in de kern van de zon raakt op, deze zal zich tot een rode reus opblazen, de aarde wordt onleefbaar, voor de mensheid het definitieve einde. Nog heel ver weg dus. Alhoewel, je weet het maar nooit, wetenschappers speculeren heel zachtjes over migratie naar andere planeten, zelfs andere zonnestelsels. Laten we dat maar afwachten, tot die tijd is het zaak de aarde voor onze kinderen leefbaar te houden.

De eerste prangende vraag is: hoe staan we er nù voor? Wat is de schade? In welke mate werd de aarde door menselijk handelen onherstelbaar aangetast en wat zouden we moeten doen? Dat is een technisch verhaal en meetbaar. Zoals gezegd, de uitwerking laat ik graag over aan de experts, maar het is wel hoog tijd voor actie, de gevolgen voor de leefomgeving door menselijk toedoen stapelen zich op. De statistieken komen van alle kanten op ons af. Waar ligt het ‘point of no return’? Of werd dat punt al bereikt? 

Jan Rotmans (12) is expert op het gebied van klimaatverandering. Hij ontwikkelde het IMAGE model, het eerste integrale klimaatmodel, gebruikt door zowel het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) als bij de onderhandelingen over het Kyoto protocol. Allemaal moeilijke taal, het zegt de doorsnee burger helemaal niets.

Om de ernst van de situatie in begrijpelijke termen te gieten, ik citeer de site van Wakker Dier (2016). De ‘kiloknallers’, kennen we allemaal, maar weten we ook wat erbij komt kijken? Voor een enkele kilo vlees is ook voer nodig, afhankelijk van de diersoort en de slachtleeftijd is dat van kip tot rund tussen de 2 en 25 kilo. Laat het maar tot je doordringen: per kilo vlees. En al dat veevoer wordt verbouwd op akkers, waar dan weer geen groentes voor menselijke consumptie kunnen groeien. Al die gewassen hebben water nodig, het vee moet drinken en de dierenverblijven moeten worden schoongemaakt. Een kiloknaller rundvlees heeft opgeteld maar liefst circa 15.000 liter water nodig. Een kilo varkensvlees 6000 liter, een kilo kippenvlees 4300 liter. Ruim 40 procent van het totale waterverbruik (of is het gebruik?) gaat naar de productie van vlees, eieren en zuivel. Veel? Ja. Vergelijk het maar met het waterverbruik voor huishoudingen, het tandenpoetsen en de was doen, dat is slechts één procent. En dan hebben we het nog niet gehad over het vervoer van soja vanuit zuid Amerika, dierenleed, resistentie, mond en klauwzeer, de vogelgriep en alleen al in Nederland 74 miljard kilo mest. Over het laatste is ook nog het één en ander te doen. 

Is dit het dan? Nee, als klap op de vuurpijl is er nog de enorme verspilling van voedsel, wereldwijd geschat op tussen de 30 en 50 procent. Dat is ook verspilling van het verbruikte voer, de ruimte voor de landbouw en het gebruik aan water. Duizelingwekkend. Tja, in de supermarkt willen we niet misgrijpen.

Dit is dan ook een pleidooi voor een wet die verspilling van voedsel strafbaar stelt. Het kan even duren, maar die zou er zomaar kunnen komen. En misschien niet eens zo’n gek idee. Het sluit aan bij de visie van Niko Paech, we misbruiken een deel van onze aarde en gooien daarvan ook nog eens een substantieel deel weer weg. Een dergelijke wet is een ‘politieke’ beslissing en dat is een mooi bruggetje naar de:

2e Prangende Kwestie:

Is de mensheid in staat het voortbestaan van de eigen leefomgeving te beheersen?

Als aan de 1e Prangende Kwestie is voldaan, de bewustwording dat voortgaan met een ongebreidelde consumptie tot een voor mensen onleefbare wereld leidt, zal in het vervolg daarvan overeenstemming bereikt moeten worden, hoe dan nu verder. Dat betreft niet alleen consensus in Nederland of in Europa, maar wereldwijd, we leven in een globaliserende wereld, het betreft de gehele mensheid. Dat is nogal wat, is de mensheid daartoe wel in staat? 

Het is voorspelbaar dat er tegengas komt, hetzij uit onkunde en als het geld kost uit eigen belang. Je ziet het al in de social media, wij zijn weer ‘het braafste jongetje van de klas’, ‘en de Chinezen dan?’ Laten we vurig hopen dat het gezonde verstand de overhand krijgt, dat het straks niet uitdraait op een ontsnappingsrace om zelfbehoud, want het zijn dan alleen de rijkeren onder ons die het zich kunnen permitteren naar het afgelegen en nog veilige Nieuw-Zeeland te verhuizen. 

Ik ben niet persé negatief over bewustwordingsprocessen, alleen hoe langer we wachten, hoe nijpender de problemen worden. De geschiedenis heeft al aangetoond dat eerdere milieuproblemen konden worden opgelost. Er was het gevaar van de zure regen, de Rijn en Maas waren vervuild, Rotterdam had moeite met schoon drinkwater, we hadden het ozongat. En er was nog de ‘Club van Rome’ met waarschuwingen over de eindigheid van fossiele hulpbronnen. Tot op heden bleken landen binnen Europa in staat om gezamenlijk aan oplossingen te werken. En daarbij, vanuit een andere hoek komen ook veelbelovende initiatieven (13), al dan niet uit eigen belang. Veel bedrijven zijn vanuit een rechtschapen motivatie bereid een bijdrage aan een beter milieu te leveren. 

Ten aanzien van besluitvormingsprocessen ziet Professor Jan Rotmans de samenleving kantelen. Van een aangestuurde top down gaan we naar een horizontale, decentrale, misschien wel bottom up samenleving. Bewustwording heeft tijd nodig, we weten wat we hebben, niet wat we krijgen. 

Hèt grootste probleem, laten we hopen niet hèt struikelblok, is het omturnen van de op consumptie gerichte mens naar een sociaal verantwoordelijke burger. Dat vereist kennisoverdracht, opvoeding, bewustwording en zingeving. Nog heel wat te doen dus. Ik kom erop terug.

1.3 Voortschrijdend inzicht


– Hoe zit de wereld in elkaar?
Alvorens echt met het boek te beginnen, wil ik nog wat zaken meegeven. Sociologen bestuderen het menselijk gedrag in relatie tot de heersende cultuur en de wijze waarop mensen in structuren samenleven aan de hand van politieke, culturele, religieuze en economische issues. Een brede studie dus. En interessant, het verklaart het hoe en waarom van het menselijk handelen. Althans, voor een deel, want gedrag blijft onvoorspelbaar. Inzichten van andere wetenschappers, psychologen, politicologen, medici, filosofen, et cetera blijven noodzakelijk voor een compleet plaatje. We komen er straks nog wel een paar tegen.

In de jaren zeventig volgde ik college bij Joop Goudsblom, auteur van ‘De Balans der Sociologie’. Goudsblom benoemt een viertal essentiële gebieden waarmee het menselijk handelen verklaard kan worden. 

Elke indeling heeft een bijbehorende vraag:

  • Arbeidsdeling – Wie doet wat voor wie?
  • Hiërarchie – Wie zijn superieur aan wie? 
  • Solidariteit – Wie horen bij wie?
  • Bezit – Van wie is wat? 

Het model toont heel goed de manier waarop wordt geproduceerd, de aansturing daarvan, hoe de belangen zijn vertegenwoordigd en hoe het surplus wordt verdeeld, een handige basis voor de latere hoofdstukken. Goudsbloem beschrijft de sociale structuur vanaf ongeveer 1850. Na twee samenhangende en bepalende gebeurtenissen, de Verlichting en de Industriële Revolutie, veranderde het aanzien van de wereld. Laten we ze heel kort één voor één doornemen.

Arbeidsdeling is het opsplitsen van taken, een belangrijke voorwaarde voor onze welvaart. Niet iedereen is bezig met het vergaren of produceren van zijn eigen voedsel en het timmeren van een eigen onderdak. Er zijn boeren die efficiënt voedsel verbouwen, er zijn aannemers die huizen bouwen, ondernemers die supermarkten runnen, kleding maken, vervoer aanbieden, voor entertainment zorgen, et cetera. Door een alsmaar voortgaande opdeling van het arbeidsproces kan massaproductie plaatsvinden. Arbeidsdeling bracht welvaart voor allen. Het aantal arbeidsuren is gedaald, we hebben een vijfdaagse werkweek. De mate van welvaart is heel goed af te meten aan de beschikbare vrije tijd, we kunnen het ons permitteren vanaf een bepaalde leeftijd te stoppen met werken en met pensioen te gaan. 

Hiërarchie reflecteert de sociale rangorde, de machtsstructuur binnen een sociale context. Ten aanzien van de arbeidsdeling, kan het verrichten van arbeid variëren van gedwongen voor anderen in slavernij, tot namens anderen in ‘vrijwillige’ loondienst. Arbeidsdeling en arbeid hebben te maken met hiërarchie, ofwel macht. In de middeleeuwse standenmaatschappij was er weinig beweging, als dubbeltje geboren werd je nooit een kwartje. De hiërarchie stond vast: adel, horigen en ergens daartussen de geestelijkheid. Tijden veranderen, gelukkig. Er komt meer nadruk op de autonomie van het individu en daarmee ook op het menszijn. Politiek gezien leven wij nu in democratieën, de toegang tot de macht wordt gezamenlijk bepaald en stijgen op de sociale ladder ligt voor een ieder binnen bereik. Althans, dat is het ideaalbeeld. 

Solidariteit, het derde element, is onlosmakelijk verbonden met samenwerking. Men zegt wel dat de mens een sociaal dier is, dat klopt in zekere zin, als eenling krijg je het niet voor elkaar. Met het ‘samen sta je sterk’, neemt de mogelijkheid iets te bereiken toe. De geschiedenis wijst dat ook uit, samenwerking en solidariteit brengt een samenleving verder, een dragend thema in dit boek. Als enkelen te veel van een economisch surplus opeisen, zal er weerstand ontstaan. Solidariteit verloopt dan ook veelal via emancipatorische bewegingen. We hebben er onze sociaaldemocratie aan te danken. 

Het laatste element, ‘bezit’, is te beschouwen als het doel in onze neoliberale samenleving. Een groot huis, een speciale auto, diverse materiële zaken, een gevulde bankrekening, het maakt het leven aangenaam, ‘je kunt niet zonder.’ Het streven naar meer en beter is de motor van onze economie. Op de eerste bladzijde van mijn lesboek stond het al vermeld: de menselijke behoeften zijn oneindig, de middelen zijn beperkt. De strijd om een stukje van de koek is de crux van ons bestaan. 

Over het verschijnsel ‘bezit’ is wel iets meer te zeggen, dat zal ik in een later hoofdstuk zeker doen. Het volstaat hier om bezit te linken aan de Landbouwrevolutie zo’n 10.000 jaar geleden. Het stukje land moet nu beschermd worden en zo mogelijk via erfopvolging binnen de eigen familie blijven. Dat is een stapje verder dan het evolutionair afbakenen van een territorium. ‘Bezit’ wordt de spil waar het uiteindelijk in vrijwel elke maatschappelijke context om draait. En dan gaat het ook over de toegang tot bezit. Op dit punt zijn enigszins terug bij Karl Marx, want als je de weg van ‘follow the money’ volgt, kom je vanzelf de arbeidsdeling, hiërarchie en solidariteit weer tegen. Na een lang proces hebben we in onze moderne samenleving regels en wetten opgesteld om bezit te verdelen en te beschermen. Gelukkig maar. – Methoden en technieken

Ik maak gebruik van een methodiek die is aan te duiden als ‘sociogenese’. Deze samenvoeging van ‘sociaal’ en ‘genetisch’, werd geïntroduceerd door Norbert Elias (14). Het betekent zoiets als ‘sociale erfelijkheidsleer’, het in de tijd en context plaatsen van sociale verschijnselen en gebeurtenissen. Dat is het, meer niet. Voor deze benadering bestaat geen echte blauwdruk, geen omschreven systematiek, het is simpelweg nagaan hoe, waarom en onder welke omstandigheden iets is ontstaan, teruggaan naar de bron, daar waar het begon. En bijgevolg het herkennen van voorliggende gebeurtenissen. Het is een maatschappelijke reisbeschrijving in de tijd, het verschaft een helikopterview en dat werkt verhelderend. 

Elias introduceerde de sociogenese in zijn onderzoek naar veranderende etiquettes door de eeuwen heen. De achterliggende gedachte was, dat mensen zich in de tijd anders gaan gedragen. Eerder geaccepteerd gedrag wordt later volstrekt onacceptabel en ook andersom. Veranderingen kunnen plaatsvinden in een tijdsspanne van enkele tientallen jaren. Herkenbaar, zeker in onze tijd. Denk maar aan het gebruik van een mobiele telefoon in gezelschap, het gebruik van ‘je’ en ‘u’, roken op een terras, bedenk er nog maar een paar. Extreem gedrag wordt normaal en normaal gedrag wordt extreem. 

De oorzaak van gedragsverandering ligt volgens Elias in het steeds verder opdelen van het arbeidsproces. We hebben het al over de arbeidsdeling gehad; er zit wat in. Productieprocessen worden in de tijd almaar complexer en daarmee verandert ook de sociale afhankelijkheid. De Industriële Revolutie had als gevolg dat veel landarbeiders in loondienst in de fabrieken gingen werken. Dat was toen. 

Zo heeft de recente digitale revolutie de gedragsstandaarden volledig veranderd. Betalen per pinpas, bestellen via internet. De intermenselijke verhoudingen veranderen in een korte periode. Met name lijkt het reageren in de sociale media op hol te slaan. Beweringen op Facebook en twitter worden leidend. Over nepnieuws ga ik het nog hebben. 

Weer even terug naar de methoden en technieken. In de wetenschap gelden stringente wetten hoe een onderzoek uit te voeren. Elke bewering dient te worden gestaafd, elk onderzoek dient ter controle herhaalbaar te zijn. Anonieme bijdragen worden sowieso genegeerd. Wat voor de wetenschap geldt, het voldoen aan conventies, zou eigenlijk ook voor Twitter moeten gelden. Dit gezegd hebbende, ook wetenschap is niet geheel en al heilig. Als een onderzoek (ogenschijnlijk) conform de regels heeft plaats gevonden, kan de presentatie desondanks misleidend zijn. Als je de statistieken van klimaatverandering over een betrekkelijk korte periode van honderd jaar bekijkt, is er nauwelijks beweging. Als de schaal wordt aangepast naar honderdduizenden jaren, geven de cijfers een beter beeld. Het is bijvoorbeeld leuk te melden dat een bedrijf een miljard winst heeft gemaakt, maar het zegt niets over de efficiëntie en winstgevendheid, om dat te beoordelen heb je ook zoiets als omzetgegevens nodig. 

Wat zeggen cijfers eigenlijk? Worden bevindingen nu bevestigd, ‘geverifieerd’, dan wel ontkracht, dus ‘gefalsificeerd’? Vooral dat laatste, falsificeren, is belangrijk in de theorievorming. Goed nadenken begint al bij de eerste opzet van een onderzoek. Een veronderstelling, een hypothese, dient zodanig te worden geformuleerd, dat hij eventueel ook verworpen kan worden. Als je een steen keer op keer naar beneden laat vallen, blijft de wet van de zwaartekracht van toepassing. Als de steen blijft zweven of omhoogvalt, is de theorie weerlegt en zal deze moeten worden aangepast. Voor de exacte bètawetenschappen klinkt dit logisch. Bij de bestudering van gedrag, de alfawetenschappen, ligt het anders, er zijn helaas nogal wat voorbeelden van slordigheid. En het moet gezegd, soms is er opzet in het spel om op slinkse wijze naar conclusies toe te redeneren. Bij enquêtes is een veelvoorkomende valkuil dat gestelde vragen suggestief zijn. Een gechargeerd voorbeeld waarbij naar een verwachte uitkomst wordt toegewerkt is: ‘U vindt toch ook dat Amerika een dominante rol heeft in de wereldpolitiek?’ 

Of er is sprake van een niet falsifieerbare bewering of hypothese. Dat is ernstiger, want de stelling ‘alle zwanen zijn wit’ kan niet worden weerlegd, want als je in je onderzoek een zwarte zwaan tegenkomt, wordt die niet als witte zwaan geteld. Nog ernstiger en helaas veel voorkomend bij politieke stellingnames, is onachtzaamheid tussen ‘causaliteit’ en ‘correlatie’. Als een bepaalde gebeurtenis het directe gevolg is van een voorliggende oorzaak, spreek je van een causaal verband. Dat is niet zo moeilijk, zet de kraan open, dat is de oorzaak, gevolg is dat het water gaat stromen. 

Als daarentegen het één niet persé het ander veroorzaakt, is er sprake van correlatie. Mijn favoriete uitleg: op het platteland komen meer ooievaars voor dan in de stad; op het platteland ligt het geboorteniveau hoger dan in de stad; conclusie: ooievaars zijn van invloed op het geboorteniveau. Dit noemen we natuurlijk een correlatie, aparte op zichzelf staande gebeurtenissen worden aan elkaar gelinkt. Het is een drogreden, een ‘non sequitur’, het volgt er niet uit. Als het wel gebeurt, kunnen de gevolgen ernstig zijn. Een tweetal voorbeelden. 

Putnam (15) deed in Amerika onderzoek naar wederzijds vertrouwen in gekleurde wijken. In zijn boek ‘Bowling Alone’, schreef hij dat het aloude bowlen niet meer in clubverband plaatsvond, maar individueel. Dat kwam volgens hem door toenemende etnische diversiteit in de wijken, dat zou tot minder onderling vertrouwen leiden. Deze bevindingen waren lange tijd uitgangspunt voor het overheidsbeleid in Nederland. Echter, later onderzoek (de voorwaarde van herhaalbaarheid!) bevestigde de conclusie van deze theorie niet. Zo werd er geen rekening gehouden met het feit dat andere culturen sowieso meer op zichzelf (zouden kunnen) zijn. Het was misleidend te stellen dat etnische diversiteit het vertrouwen vermindert. Want het omgekeerde is ook niet het geval, als mensen elkaar wantrouwen of sociaal teruggetrokken zijn, betekent dat niet dat ze in een gekleurde wijk wonen. 

Een treffender voorbeeld. De broers Lucassen (16) laten een ernstige politieke misleiding zien ten aanzien van criminaliteitscijfers onder allochtonen. Criminaliteit is het gevolg van omgevingsfactoren als werkloosheid, lage opleiding en wordt niet veroorzaakt door etnische afkomst. Elke welzijnswerker weet dat. Feit is dat Marokkanen en Arubanen vaker voorkomen in de criminaliteitsstatistieken. Echter, de bewering dat Marokkanen crimineel zijn, is een correlatie. De oorzaak is niet het ‘Marokkaan’ zijn, maar het wonen in achterstandswijken. Want andersom kun je ook niet zeggen (of zelfs aantonen) dat alle Marokkanen crimineel zijn. Ernstiger, een dergelijke politieke stellingname heeft invloed op de vervolgstappen in het beleid, roepen we ‘minder, minder’, of gaan we theedrinken?

De strekking van deze paragraaf wordt goed weergegeven door Angus Deaton, Nobelprijswinnaar. Deze economieprofessor aan de Princeton University leert ons dat cijfers niet vanzelfsprekend zijn, dat er waardeoordelen in verscholen zitten: ‘Er zijn geen metingen zonder theorie en er zijn geen meningen zonder politiek.’ 

In de woorden van de New Yorkse senator Patrick Moynihan: ‘iedereen heeft recht op zijn eigen mening, niemand heeft recht op eigen feiten.’ Dit zou voor iedereen moeten gelden, de wetenschapper en ook de Twitter reaguurder. Waarvan akte.

– Control Alt Delete en opnieuw opstarten
Alsof er een versnelling werd ingezet, de wereldgeschiedenis vanaf pakweg 1945 mag je gerust turbulent noemen, het is de periode die grotendeels samenvalt met mijn leven. In de negentiger jaren doet de consumptiemaatschappij definitief zijn intrede. Het leven wordt in materieel opzicht aangenaam en ook de bekrompenheid van religie wordt afgeworpen, er is een welhaast ongemerkte overgang van solidariteit naar individualisme. ‘Schuldige’ is de de massaliteit en een toenemende welvaart, men kan het zich permitteren de ander niet meer nodig te hebben, omgangsvormen komen in de verdrukking, solidariteit is geen noodzaak meer. En er is de opkomst van de sociale media. Al snel een instrument voor het spuien van onvrede. Waarheidsvinding is zo goed als afwezig.

De negativiteit op Twitter deed mij inzien dat mijn denkwereld zoals gevormd door de bijbel en de sociaaldemocratie, niet meer toereikend was als verklaringsmodel. De juiste antwoorden kon ik daar niet meer vinden. 

Opnieuw opstarten dus, uitzoomen en de vraag opnieuw stellen: hoe is onze moderne samenleving tot stand gekomen? Welke gebeurtenissen waren voor de geschiedenis van de mensheid doorslaggevend? Al schrijvende onderging ik iets van een geestelijke Cntrl Alt Delete. Een ‘open mind’ leek mij noodzakelijk en dat betekende de hersenen even op nul zetten. Het hielp, terug naar af, naar het prille ontstaan van de mensheid en de geschiedenis stukje bij beetje iets herschrijven. Ditmaal niet aan de hand van jaartallen of een opsomming van grote namen, maar gebaseerd op de èchte beslissende momenten. Alleen dan zou ik erachter kunnen komen waaròm de mens denkt zoals hij denkt en handelt zoals hij handelt. Dus geen getuigenis dàt er iets gebeurt, maar zoeken naar verklaringen, naar het waaròm. Uitgangspunt is logischerwijze de primitieve mens, een evolutionair voortbrengsel. Uniek was de mutatie van het geheugen, daarmee kon de mens reflecteren, evalueren, anticiperen en dus zijn eigen lot bepalen. De landbouw stelde de mens in staat om zich met meer op één plek te vestigen. Echter, de mens is van origine helemaal niet behept om met velen samen te leven, er zijn een aantal evolutionaire kenmerken die de samenlevende mens in de weg zitten. Laat ik ze gelijk maar noemen: sociale ongelijkheid, planloosheid, normloosheid, kortetermijnvisie, angst voor vreemden, vluchtgedrag en het testosteron. De titel van dit boek werd dan ook: ‘De Evolutionaire Stempel’. Via gedragstheorieën, religie, kolonialisme, de Verlichting en de Industriële Revolutie, gaat het naar de voordelen en nadelen van het huidige neoliberalisme. Ik sluit af met een aantal conclusies en aanbevelingen in de politieke paragraaf.

Ter onderbouwing haal ik er in ‘Verwijzingen’ een aantal auteurs, filosofen en wetenschappers bij. Dit laatste hoofdstuk is sowieso al de moeite waard om apart door te lezen, het toont de denktrant. 

In dit boek wordt de geschiedenis van de mensheid in een luttel aantal pagina’s geperst. Dat was al een behoorlijke puzzel, want hoe een juiste keuze uit doorslaggevende gebeurtenissen te maken en die in een logische volgorde te plaatsen? Welnu, de indeling is geworden zoals ‘ie is geworden. Soms is dat van de hak op de tak, soms in herhalingen. Achter een enkel dingetje schuilt soms een hele bibliotheek. Het is wel een veelomvattend verhaal geworden, het wordt geen simpel uit A volgt B. Ik besef dat het geduld en het inschattingsvermogen van de lezer op de proef wordt gesteld.

=

De strekking van dit hoofdstuk.
Om de samenleving te begrijpen is een besef van je eigen positie op de tijdlijn van de geschiedenis een voorwaarde. We leven nu in een tijd van overvloed. Ik heb het ‘geluk’ gehad om in de naoorlogse periode nog een staartje van een ‘relatieve’ armoede te hebben meegemaakt. Het is de overgang van religie, samenwerking en solidariteit naar materiële welvaart. Ondanks de verworvenheden ontstaat het populisme met een  toenemende onvrede over alles en nog wat.
En het wordt steeds duidelijker dat voortgaan met het dictaat van economische groei tot een voor mensen onleefbare aarde zal leiden. 
Als voorbereiding op de latere hoofdstukken, eerst nog wat inzicht in de structuur van samenlevingen als gevolg van een toenemende arbeidsdeling. Voor de ware geschiedschrijving zul je steeds moeten kijken naar de voorliggende gebeurtenissen, de sociogenese.

De eerste reactie moet ik goedkeuren, dat kan dus even duren, maximaal een halve dag.
Daarna zal het systeem jouw e-mailadres verder herkennen.

 

 

3 reacties

  1. solidairesamenleving op

    opnieuw een reactie waarin het duidelijk gesteld is hoe via persoonlijke voorbeelden deze samenleving is ontstaan en met goede aanduidigen van wetenschappers,andere deskundigen in een
    historisch perspektief,Wel stevige kost en deze keer niet geheel inhoudelijk gelezen,,,vraagt om herlezing,,,boeiende opmerkingen.etc.